Wat is
Waarheid?
Pilatus dan zei tegen
Hem: Bent u dan een koning?
Jezus antwoordde: U
zegt dat Ik een koning ben.
Hiertoe ben Ik
geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik van de waarheid zou getuigen.
Ieder die uit de
waarheid is, hoort Mijn stem.
Pilatus zei tegen
Hem:
Wat is waarheid?
(Joh 18:38)
Ik ben de Weg,
de Waarheid
en het Leven.
Niemand komt bij de
Vader
dan door Mij.
(Uitspraak van Jezus - Joh 14:6)
Index. 3
Voorwoord. 4
Inleiding. 6
De woorden van Jezus. 11
Wat Jezus zei over Zichzelf. 11
Het gesprek met Nicodemus. 21
De zondige vrouw.. 23
Over volgelingen en het volgen van Jezus. 25
Gezegende mensen. 31
De Wet en de leer van Jezus. 33
Geven en ontvangen. 40
Bidden en vasten. 42
Over oordelen en het laatste oordeel 46
Genezing en geloof. 61
Vergelijkingen. 70
Vertrouwen. 86
Zijn laatste woorden op aarde. 88
Over nu en de toekomst 101
Bijlage: 106
De “bijbelstudie” die Jezus gaf aan de Emmaüsgangers. 106
Wat is waarheid? Hoe bepaald je wat waar is, wanneer je van
alle kanten iets anders hoort? Ik stel voor om Jezus Christus serieus te nemen
toen Hij zei dat Hij zelf de Waarheid is. Dat houdt in dat we Zijn leer, Zijn
woorden als leidraad nemen voor het begrijpen van de wereld om ons heen.
Jezus. Je hoort Zijn naam vaak. Is het niet met het nodige
respect, dan wel zonder. Er wordt ook veel over Hem gesproken en men heeft al
op vele manieren geprobeerd om een beeld van Hem te schetsen in boeken en
films. Maar wat heeft Hij nou allemaal gezegd, wat was Zijn boodschap? Daarover
gaat dit boekje. Het is een weergave van het onderwijs van Jezus, zoals dat in
het Nieuwe Testament van de Bijbel staat. Echter niet chronologisch of
topografisch, maar gesorteerd op onderwerp; dus meer gegroepeerd op inhoud dan
op plaats en tijd, zoals dat in de Bijbel vaak het geval is.
Het was voor mij een grote uitdaging om de vier boeken aan
het begin van het Nieuwe Testament samen te voegen tot een begrijpelijk en
overzichtelijk geheel. Het was verrassend om te zien hoeveel overeenkomsten er
zijn en hoe de verschillen elkaar eerder aanvullen dan tegenspreken. De Engelse
vertaling van de Bijbel die ik veel gelezen heb, heeft de woorden van Jezus in
het rood gedrukt staan. Het viel mij op dat veel van wat Hij zei meerdere malen
herhaald wordt in de 4 Evangeliën. Daaruit is het idee geboren om die woorden
te gaan samenbundelen.
Ik ben altijd erg gefascineerd door profetie. Daarom heb ik
een gedeelte toegevoegd waarin wordt uitgelegd wat er over Jezus gezegd is voordat
Hij naar de aarde kwam. In Lukas 24 staat dat Jezus aan de Emmaüsgangers
uitlegde wat er in de boeken (het Oude Testament) over Hem geschreven staat,
maar wat hij precies zei en over welke gedeelten het precies zou gaan wordt in
dat verhaal niet verteld. Het moet wel heel bijzonder geweest zijn wat Jezus
zei, want uit het verhaal blijkt dat ze er behoorlijk enthousiast over waren.
Daarom heb ik een fictief gesprek van Jezus met deze twee mensen toegevoegd.
Een aantal van de meest opmerkelijke profetieën die in het Oude Testament
voorkomen is daarin opgenomen.
Hierbij wil ik graag de mensen bedanken die hun tijd hebben
gegeven om dit boekje te maken tot wat het nu is: Allereerst natuurlijk Jezus,
de enige volmaakte mens in wie wij voor eeuwig volmaakt mogen zijn. Hij is het
Levende Woord, de Bron en de Inspiratie van mijn leven, het thema, het begin en
het absolute einde. Maria, mijn meest betrouwbare en gewaardeerde criticus en
partner voor het leven. In het bijzonder Berry voor de theologische inzichten.
Alexander voor zijn spitsvondige opmerkingen. Harry-Jan en Fred Jan voor hun
inhoudelijke kritiek. Ben voor de vormkritiek. Mijn ouders en tante Susanna
voor hun eigen unieke bijdrage. Al het goede van dit boek is een resultaat van
onze gezamenlijke inspanningen en voor de fouten die er nog in voorkomen neem
ik de volle verantwoordelijkheid op mij.
Ik hoop dat de manier waarop de goede boodschap hier
weergegeven is, een zegen zal zijn voor ieder die het leest.
André van Gelder.
Het grootste gedeelte van de leer van Jezus is verzameld uit
de vier boeken aan het begin van het Nieuwe Testament: Mattheus, Markus, Lukas
en Johannes (bij verwijzingen afgekort als Mat, Mrk, Luk en Joh). Dan zijn er
nog wat uitspraken verdeeld over een paar hoofdstukken in het tweede boek van
Lukas (Handelingen van de apostelen, afgekort: Hnd.) en het laatste boek van de
Bijbel (de openbaringen aan Johannes, afgekort: Opb.).
Voor de vertaling is gebruik gemaakt van verschillende
bronnen: The Greek New Testament, Deutsche Bibelgesellschaft, 4th Revised
Edition en een aantal Griekse en Engelse versies van het Nieuwe Testament die
opgenomen zijn in de e-Sword elektronische Bijbel van Rick Meyers: http://www.e-sword.net
Voor mensen die verder in de bijbel willen studeren is dit
een heel goede bron van informatie. e-Sword is gratis en biedt de Bijbel aan in
onder andere Hebreeuws (O.T.), Grieks, Latijn, Duits, Nederlands (S.V.) en
verschillende Engelse vertalingen. Verder zijn er bij deze elektronische bijbel
ook veel gratis commentaren, woordenboeken en ander studiemateriaal
beschikbaar.
Voor een diepgaande studie van alle verschillen tussen de
bronteksten, is er een ‘topic note’ bij e-Sword beschikbaar: ‘Jesus From Seven Sources’ van Kenneth Ray Taylor.
Waarin de bronteksten chronologisch en woord voor woord onder elkaar zijn gezet,
met verwijzingen naar de betreffende bronnen. De verschillen zijn overigens niet van dien aard dat de bronnen
elkaar zouden tegenspreken; zij vullen elkaar eerder aan. Soms zijn er
verschillen in klemtoon of staat de zin bij de ene bron als vraag en bij de
andere als een stelling. In zulke gevallen is ervoor gekozen om beide bronnen
te vertalen of de zinnen te combineren.
Om een idee te krijgen van de context waarin Jezus de
woorden sprak, is een korte omschrijving van de omstandigheden opgenomen en
tussen vierkante haken geplaatst […]. Verder zijn er opmerkingen,
verduidelijkingen en tekstverwijzingen tussen haakjes (...) toegevoegd.
Niet alle dingen die Jezus volgens de Bijbel gezegd
heeft zijn in dit boek opgenomen. Enkele persoonlijke en/of tijdgebonden
uitspraken zijn weggelaten. Zoals wat Jezus tegen Petrus zei: dat hij Hem drie
maal zou verloochenen (Mat.26:34), of de tirade tegen de Joodse leiders
(Mat.23:13-39 en Luk.11:39-52). Het gaat hier om de inhoud en de essentie van
Zijn onderwijs en niet om een compleet en chronologisch verslag van
alles wat Hij gezegd en gedaan heeft.
Toch zijn er een aantal korte verhalen opgenomen waarin
Jezus met een paar eenvoudige uitspraken dingen laat gebeuren die veel mensen
onmogelijk achten. De woorden die Hij bij die wonderen uitsprak worden daarmee
een verlengstuk en een bevestiging van Zijn leer over geloof, op Hem vertrouwen
en niet twijfelen.
Er zijn plaatsen waar de profetieën uit het Oude Testament
genoemd worden om te laten zien dat Jezus verwacht werd omdat God al van
tevoren over Hem had laten schrijven. Het geschreven profetische woord
is een zeer krachtig bewijs en geeft ons licht:
In 2 Petrus 1:18,19 staat: “Wij hebben de stem gehoord, die
uit de hemel kwam, toen wij met Hem op de heilige berg waren. En wij hebben het
profetische woord, dat zeer vast (zeker) is, en u doet er goed aan daar acht op
te slaan, als op een licht, dat schijnt in een duistere plaats, totdat het
dag wordt, en de morgenster opgaat in uw harten.”
In de Engelse King James vertaling wordt in vers 19
gesproken over “a more sure word of prophecy”, een zekerder
profetisch woord.
Hieruit kunnen we afleiden dat Petrus net zoveel, of
misschien zelfs meer waarde hechtte aan de profetieën dan aan de persoonlijke
ervaring die hij met Jezus had gehad.
Er zijn argumenten opgeworpen tegen de bewering dat Jezus de
Messiaanse profetieën van het Oude Testament vervuld zou hebben, zoals:
- Delen van het OT zouden naderhand geschreven zijn.
Dit argument gaat niet op omdat de Joden die de oude
geschriften zo nauwkeurig in stand hielden, juist tégen Jezus waren.
- Jezus zou de vervulling van deze profetieën zelf in scène
hebben gezet.
Dit zou misschien mogelijk zijn voor sommige profetieën,
maar veel van de profetische woorden zijn vervuld zonder dat Jezus er zelf
invloed op had.
- De profetieën zouden op allerlei mensen kunnen worden
toegepast; zoals Kennedy, Gandi, King; als je maar lang genoeg zoekt naar
geschikte kandidaten en overeenkomsten tussen de profetieën en het leven van
deze mensen…
Ook in dit geval zal het misschien lukken met een paar
profetieën, maar nooit met allemaal.
- Een ander bezwaar zou kunnen zijn dat de verhalen rondom Jezus
later aangepast zouden zijn om in de profetieën te passen.
Dit is wat lastiger te beredeneren omdat je dan alle
historische geschriften aan een nauwkeurig onderzoek zou moeten onderwerpen.
Dat is echter niet het doel van dit boek. Voor een uitgebreide behandeling van
de argumenten is het Engelstalige boek “Evidence that demands a verdict” van
Josh McDowell beschikbaar. Gegevens met betrekking tot profetie komen
voornamelijk uit dat boek. Er is ook gebruik gemaakt van bijbelstudies van
Chuck Missler, leraar bij Calvary Chapel Costa Mesa in Zuid California, USA (zie
ook www.khouse.org ).
De grote hoeveelheid details die in de profetieën van het
oude testament naar voren komt, is op zich al zeer overtuigend.
De aangehaalde teksten zijn een kleine greep uit de
overweldigende hoeveelheid profetieën die de komst van de Gezalfde voorspellen.
Het is onmogelijk om te bewijzen dat al deze teksten door Jezus werden
aangehaald tijdens zijn “bijbelstudie” aan de Emmaüsgangers. Dat is ook niet
de bedoeling. Maar het geeft wel een beeld van hoe het gegaan zou kunnen zijn.
In dit boek wordt vrij consequent de titel ‘Gezalfde’
gebruikt voor Jezus. Het Hebreeuwse woord voor Gezalfde is Meshiach of Mashiach,
dat wij schrijven als Messias. In het Grieks is dat het woord Christos -
door ons geschreven als Christus.
Jezus noemt zichzelf vaak de Mensenzoon. Dit is een term uit
het boek Daniël (7:13,14), waar Hem heerschappij over een eeuwig durend
Koninkrijk gegeven wordt.
In de tekst komt een aantal keren het woord ‘heiden’ voor.
Het is een vertaling van het Griekse woord ‘ethnos’ of ‘ethnikos’ dat eigenlijk
een vertaling is van het Joodse woord ‘gojim’ en dat betekent ‘volken’. Hiermee
werden de (goddeloze) volken rondom Israël bedoeld, dus eigenlijk alle mensen
die niet bij het Joodse volk behoorden. Op zich is het dan ook niet vreemd dat
Christenen dit woord hebben geadopteerd en er de betekenis ‘niet gelovigen’ aan
hebben gegeven.
Door Mattheus wordt de term ‘het Koninkrijk van de Hemel’
gebruikt, omdat hij schreef vanuit zijn Joodse achtergrond voor de Joden. In
zijn evangelie worden bepaalde Joodse gebruiken ook niet uitgelegd omdat hij
verwacht dat de lezer die kent. In Joodse geschriften wordt zo min mogelijk
rechtstreeks naar God verwezen uit angst Zijn Naam verkeerd te gebruiken. De
andere evangelisten schrijven over ‘het Koninkrijk van God’. Omwille van de
eenheid is ervoor gekozen om alleen ‘Koninkrijk van God’ te gebruiken.
De Naam van God is bewust niet in de vorm HEERE gebruikt,
zoals dat bij sommige Nederlandse vertalingen het geval is. De Hebreeuwse
letters die in de meeste Nederlandse bijbels met HEERE vertaald worden zijn
JHWH en moeten zeer waarschijnlijk als Jahweh worden uitgesproken. Om zo dicht
mogelijk bij de brontekst te blijven, is deze oudtestamentische Naam van God
dus ook consequent op die manier geschreven.
[In de synagoge van Nazareth, waar Jezus opgegroeid was, las
Hij Jesaja 61:1,2 voor:]
“‘De Geest van de Heer Yahweh is op Mij, omdat Hij Mij
gezalfd heeft om goed nieuws te verkondigen aan de armen. Hij heeft Mij
gezonden om mensen met een gebroken hart te genezen, vrijheid te proclameren
voor de gevangenen, om blinden de ogen te openen, om onderdrukte mensen te
bevrijden en om het jaar van de goedheid van Yahweh te proclameren.’ Vandaag is
dit gedeelte van de geschriften voor jullie ogen uitgekomen.”
(Luk.4:16-21)
“Nu zullen jullie wel dit gezegde tegen Mij aanhalen: ‘Dokter,
genees jezelf! Doe hier in je eigen stad, wat we gehoord hebben dat je in
Capernaum hebt gedaan.’ Ik zal jullie vertellen: een profeet wordt alleen in
zijn eigen dorp, onder zijn familieleden en in zijn eigen gezin niet geëerd en
geaccepteerd. Ik verzeker je dat er in de tijd van Elia veel weduwen in Israël
waren. Toen er drie en een half jaar geen regen kwam, was er een grote
hongersnood door het hele land. Elia werd echter niet naar één van hen
gestuurd, maar naar een (heidense) weduwe uit Sidon. En er waren in de tijd van
Elisa in Israël veel mensen die huidziekten hadden, maar er werd er niet één
genezen, behalve (de heidense) Naäman uit Syrië.”
(Mat.13:57; Mrk.6:4; Luk.4:23-27)
[Jezus kon in Nazareth maar weinig wonderen doen en
verbaasde zich over hun gebrek aan geloof. ]
(Mat.13:58; Mrk.6:5,6)
[Tegen de Joodse godsdienstige leiders, die niets van Hem
moesten hebben, omschreef Jezus Zichzelf zo:]
“Als Ik alleen van Mijzelf zou getuigen, is Mijn getuigenis
niet geldig. Er is een Ander die getuigt in Mijn voordeel en Ik weet dat Zijn
getuigenis van Mij geldig is. Jullie hebben Johannes (de Doper) gehoord en
hij getuigde ook van de waarheid. Niet dat ik het getuigenis van mensen nodig
heb, maar ik zeg dit zodat jullie gered mogen worden. Hij was een helder
schijnende lamp en jullie hebben een poosje plezier gehad van zijn licht. Maar
het getuigenis dat ik geef is meer waard dan dat van Johannes, want het werk
dat de Vader Mij heeft gegeven, wat Ik doe en wat Ik ook af zal maken, getuigt
ervan dat de Vader Mij gestuurd heeft. En de Vader heeft ook zelf van Mij
getuigd. (In de geschriften - dat is het Oude Testament - door de
gebeurtenissen rondom Zijn geboorte en een aantal keren door een hoorbare stem
uit de hemel.) Jullie hebben Hem nooit gezien of Zijn stem gehoord. Jullie hebben
Zijn woorden ook niet begrepen, want jullie geloven niet dat Hij Mij gestuurd
heeft. Jullie onderzoeken nauwgezet de geschriften, omdat jullie denken
daardoor eeuwig leven te bezitten. En juist deze geschriften getuigen van Mij,
maar jullie weigeren bij Mij te komen om leven te ontvangen. Ik ontvang geen
verheerlijking van mensen. Maar ik weet dat jullie de liefde van God niet in
jullie hebben. Ik ben gekomen in de naam van Mijn Vader en jullie ontvangen mij
niet. Anderen komen in hun eigen naam en die ontvangen jullie wel. Hoe kunnen
jullie ook geloven als jullie de verheerlijking van elkaar accepteren en niet
de verheerlijking zoeken die alleen van God komt. Denk niet dat Ik jullie zal
beschuldigen tegenover de Vader. Er is er één die jullie beschuldigt en dat is
Mozes, op wie jullie je hoop gevestigd hebben. Als jullie Mozes geloofden,
zouden jullie Mij ook geloven, want hij schreef over Mij. Maar als jullie niet
geloven wat hij schreef, hoe kunnen jullie dan geloven wat Ik zeg?”
(Joh.5:31-47)
“Zelfs al zou Ik van Mijzelf getuigen, dan zou Mijn
getuigenis geldig zijn, want Ik weet waar Ik vandaan kom en waar Ik naartoe ga,
maar jullie hebben daar geen idee van. Jullie oordelen naar menselijke
standaarden (letterlijk: naar het vlees). Ik oordeel niet, maar als Ik oordeel,
zijn Mijn beslissingen goed, want Ik ben daarin niet alleen; Ik sta aan de kant
van Mijn Vader, die Mij gestuurd heeft. Het staat in jullie wet, dat een
getuigenis van twee mensen rechtsgeldig is. Ik getuig van Mijzelf, en de Vader
die Mij gezonden heeft getuigt ook van Mij.”
[Ze zeiden: “Waar is jouw vader?” (Een steek onder water,
omdat ze dachten dat Hij een onwettig kind was.)]
“Jullie kennen Mij niet, noch Mijn Vader. Als jullie Mij
kenden, zouden jullie Mijn Vader ook kennen.”
(Joh.8:14-19)
“Luister goed naar wat Ik zeg: een man die de schaapskooi
niet door de deur binnengaat, maar er langs een andere weg inklimt, is een dief
en een rover. De man die door de deur naar binnengaat, is de herder van de
schapen. De wachter opent de deur voor hem; en de schapen luisteren naar zijn
stem. Hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.
Wanneer hij alle schapen die bij hem horen naar buiten geleid heeft, gaat hij
voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat ze zijn stem kennen. Maar ze zullen
nooit een vreemde volgen; ze zullen zelfs van hem wegrennen, omdat ze de stem
van de vreemde niet kennen. Ik ben de deur voor de schapen. Allen die vóór Mij
kwamen, zijn dieven en rovers en de schapen hebben niet naar hen geluisterd. Ik
ben de deur, wie door Mij naar binnengaat, zal gered worden. Hij zal binnen
komen en uitgaan en een goede weide vinden. De dief komt alleen om te stelen,
doden en vernietigen; Ik ben gekomen opdat zij leven zouden hebben in
overvloed. Ik ben de Goede Herder die zijn leven opoffert voor de schapen. Een
ingehuurde arbeider is niet de eigenaar van de schapen, zoals de herder. Dus
als hij een wolf aan ziet komen, laat hij de schapen in de steek en zet het op
een lopen. De wolf valt de kudde aan en verspreidt die. De man loopt weg omdat
hij een ingehuurde arbeider is en niet echt om de schapen geeft. Ik ben de
Goede Herder; Ik ken Mijn schapen en Mijn schapen kennen Mij – net zoals de
Vader Mij kent en Ik de Vader ken – en Ik leg Mijn leven af voor de schapen. Ik
heb nog andere schapen die niet van deze schaapskooi zijn (de heidenen). Die
moet Ik ook gaan halen. Zij zullen ook naar Mijn stem luisteren en er zal één
kudde zijn, met één Herder. De reden dat Mijn Vader van Mij houdt is dat Ik
Mijn leven afleg – om het ook weer op te nemen. Niemand kan het van Mij
afnemen, maar Ik leg het vrijwillig af. Ik heb de macht om het af te leggen en
ook om het weer op te pakken. Die opdracht heb Ik ontvangen van Mijn Vader.”
(Joh.10:1-18)
[De Joden wilden weten of Jezus “De Gezalfde” was die
voorspeld was in hun oude boeken – het Oude Testament]
“Ik heb het jullie verteld, maar jullie geloven het niet. De
wonderen die Ik doe in de naam van Mijn Vader spreken in Mijn voordeel, maar
jullie geloven Mij niet omdat jullie niet Mijn schapen zijn. Mijn schapen
luisteren naar Mijn stem; Ik ken ze en zij volgen Mij. Ik geef ze eeuwig leven
en zij zullen nooit vernietigd worden; niemand kan ze uit Mijn handen rukken.
Mijn Vader heeft ze aan Mij gegeven en niemand kan ze uit de handen van Mijn
Vader rukken. De Vader en Ik zijn één.”
[De Joden pakten stenen om Hem te stenigen.]
“Ik heb jullie grote wonderen laten zien van de Vader. Voor
welke van deze wonderen willen jullie Mij stenigen?”
[Ze zeiden: “Niet voor de wonderen, maar voor Godslastering,
omdat u, als gewoon mens, zichzelf God noemt”]
“Staat er niet geschreven in jullie boeken (Psalm 82:6): ‘Ik
heb gezegd dat jullie goden zijn.’? Als hij de mensen, aan wie die woorden van
God geschreven zijn, ‘goden’ noemt – en de Geschriften kunnen niet ontbonden
worden – hoe zal het dan zijn met Hem, die de Vader voor Zichzelf apart gezet
en naar de wereld gezonden heeft? Waarom beschuldigen jullie Mij dan van
Godslastering, omdat Ik gezegd heb: ‘Ik ben Gods Zoon’? Geloof Mij niet, tenzij
Ik de dingen doe die Mijn Vader doet. Maar als Ik ze wel doe, zelfs al geloof
je niet in Mij, geloof dan in de wonderen, zodat je daardoor zult weten en
begrijpen dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.”
(Joh.10:25-38)
[De Joodse leiders beschuldigden Jezus ervan de overste van
de boze geesten te zijn.]
“Elk koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, zal in
verval geraken en een stad of huis (gezin) waar verdeeldheid heerst, zal niet
blijven bestaan. Als de duivel (de verstrooier, de aanklager, satan) nu de
duivel uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld. Hoe kan zijn koninkrijk dan
standhouden? En als Ik boze geesten uitdrijf door de macht van de overste van
de boze geesten, zoals jullie zeggen, door wie drijven jullie volgelingen ze
dan uit? Nu dan, zij zullen jullie rechters zijn. (Dezelfde beschuldiging zou
ook van toepassing zijn op die volgelingen). Maar als Ik door de Geest van God
boze geesten uitdrijf, is het Koninkrijk van God over jullie gekomen. Wanneer
een sterke man, volledig bewapend, zijn huis of paleis bewaakt, zijn al zijn
bezittingen veilig. Maar wanneer iemand anders die sterker is dan hij, hem
aanvalt, overmeestert en vastbindt, neemt hij de wapens weg waarop de man zijn
vertrouwen had gesteld en verdeelt de buit. (Jezus zegt hier dat hij de satan
zal overmeesteren en vastbinden, zodat hij geplunderd kan worden.) Wie niet met
Mij meewerkt, is tegen Mij. En wie niet samen met Mij verzamelt, verstrooit.
Dus zeg Ik tegen jullie: elke zonde en elke godslastering kan een mens vergeven
worden, maar het belasteren van de Geest zal niet vergeven worden. Iemand die
iets verkeerds zegt over de Mensenzoon, kan vergeven worden, maar wie zich
uitspreekt tegen de Heilige Geest (wie het werk en de persoon van de Heilige
Geest niet wil erkennen), zal niet vergeven worden, noch in deze tijd, noch in
de toekomende, want het is een eeuwige zonde.”
(Mat.12:24-32; Mrk.3:22-30; Luk.11:15-23; 12:10)
“De aanklager (de verstrooier, de duivel) is al vanaf het
begin een moordenaar, die zich niets aantrekt van de waarheid, want er is geen
greintje waarheid in hem. Wanneer hij liegt, spreekt hij zijn eigen taal, want
hij is een leugenaar, ja zelfs de vader van de leugen.
“Ik ben niet bezeten door een demon. Ik eer Mijn Vader en
zoek geen verheerlijking voor Mijzelf. Hij zal het wel doen, want Hij kan het
beste bepalen wat goed is.”
(Joh.8:44,49,50)
“Jullie kennen God niet, maar Ik ken Hem wel. Jullie vader
Abraham verheugde zich op het zien van Mijn dag; hij zag het en was blij.”
[Leiders: “Je bent nog geen 50 en je hebt Abraham al
gezien?”]
“Ik zal je nog meer vertellen: voordat Abraham geboren was,
‘Ik ben’” (Johannes heeft deze vreemd overkomende uitspraak van Jezus
waarschijnlijk bewust zo geschreven om duidelijk te maken dat Jezus in wezen
God is. ‘Ik ben die ik ben’ is wat God zei tegen Mozes, toen Hij tot hem sprak
vanuit de brandende braamstruik en Mozes Hem vroeg naar Zijn naam. Exodus 3:14)
[Hierop wilden ze Jezus stenigen omdat Hij zichzelf gelijk
stelde aan God, maar Hij ontkwam.]
(Joh.8:55-59)
[Johannes de Doper liet vragen of Jezus wel degene is waarop
gewacht werd – de Gezalfde.]
“Ga terug naar Johannes en vertel hem over wat je hoort en
ziet: blinden zien weer en lammen lopen weer. Mensen met huidziekten worden
genezen, doven gaan horen, doden worden opgewekt en het goede nieuws wordt
verkondigd aan de armen. (Dit is geprofeteerd in Jesaja 35:5,6.) Gezegend is de
mens die geen aanstoot aan Mij neemt en God de rug toekeert door wat hij over
Mij denkt. Wat zijn jullie in de woestijn (waar Johannes predikte) gaan
bekijken? Een grashalm, geschud door de wind (Een labiel persoon)? Een man in
mooie kleren? Als iemand die in luxe leeft aan het hof van een koning? Een
profeet dan? Jazeker, en meer dan een profeet! Deze Johannes was degene
waarover geschreven is: ‘Ik zal Mijn boodschapper voor jou uitsturen, die een
weg voor je zal bereiden (Maleachi 3:1.)’ Wat Ik nu ga zeggen is belangrijk:
onder alle mensen die geboren zijn uit een vrouw (op deze aarde), is er niet
één die groter is dan Johannes de Doper. Maar de minst belangrijke persoon in
het Koninkrijk van God (onder de mensen die zijn geboren uit God), is groter
dan hij. Vanaf de dagen van Johannes de Doper tot nu toe, breekt het Koninkrijk
door met kracht en krachtige mensen proberen er met geweld in te komen. Want
alle Profeten en de Wet hebben geprofeteerd tot aan Johannes. En als je het
wilt accepteren: hij is Elia, die komen zou. Maar ze hebben hem niet herkend en
hebben met hem gedaan wat zij wilden (Johannes was onthoofd). Zo zal ook de
Mensenzoon onder hun handen lijden. Laat ieder die oren heeft, luisteren.
Waar zal Ik deze generatie (Israël, begin van onze
jaartelling) mee vergelijken? Jullie zijn net een stelletje kinderen die spelen
op het marktplein en naar elkaar roepen: ‘Wij spelen op de fluit en jullie
willen niet eens dansen; wij spelen een dodenmars en jullie zijn niet eens
droevig.’ Want Johannes kwam zonder veel te eten en te drinken, en zij zeggen:
‘Hij is bezeten door een demon’. De Mensenzoon eet en drinkt wel en dan zeggen
ze: ‘Hij is een veelvraat en een dronkaard, een vriend van belastinginners en
zondaars’. Maar wijsheid wordt gerechtvaardigd door haar daden.” (Je kunt de
schone schijn ophouden, maar het gaat om wat je doet.)
(Mat.11:2-19; 17:11,12; Mrk.9:12,13; Luk.7:20-35; 16:16)
“Het zijn niet de gezonde mensen die een dokter nodig
hebben, maar de zieke. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen op te roepen tot
bekering, maar zondaars.”
(Mat.9:12; Mrk.2:17; Luk.5:31,32)
“Kom bij Mij, allen die uitgeput (overwerkt, vermoeid) en
zwaar beladen zijn; en Ik zal jullie rust geven. Neem Mijn juk op je schouders
en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. En je zult rust
vinden voor je ziel. Want Mijn juk is gemakkelijk te dragen en Mijn last is
licht.”
(Mat.11:28-30)
“Ik ben gekomen om vuur op aarde te brengen. En Ik zou zo
graag willen dat het nu al ontbrandde. Maar Ik heb een onderdompeling
(vuurdoop) te ondergaan en verlang er intens naar dat het voorbij zal zijn.”
(Jezus heeft het hier over zijn dood aan het kruis.)
(Luk.12:49,50)
[Jezus vroeg aan zijn leerlingen:]
“Wie zeggen de mensen dat Ik ben?”
[Sommigen zeggen “Johannes de Doper”, anderen “Elia”, weer
anderen “één van de oude profeten die tot leven gekomen is”]
“Maar wie zeggen jullie dat Ik ben?”
[Petrus zei: “U bent de Gezalfde van God.”]
“Je bent gezegend, Simon zoon van Jonah, want vlees en bloed
hebben jou dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is. Vanaf nu
noem ik jou Petrus (‘Rots’) en op deze rots zal ik mijn gemeente bouwen. En de
poorten van het dodenrijk zullen tegen haar geen stand kunnen houden. (De dood
zal de gemeente niet vast kunnen houden). Ik zal jou de sleutels van het
Koninkrijk van God geven, en wat jij vrijmaakt op aarde zal ook vrij zijn in de
hemel.
(Mat. 16:13-19; Mrk.8:27-29; Luk.9:18-20)
“De Mensenzoon moet heel veel lijden en afgewezen worden
door de oudsten, hoofdpriesters en wetgeleerden; hij moet gedood worden en op
de derde dag weer tot leven gewekt worden.”
(Luk.9:22)
[De mensen wilden weten of Jezus ook een soort teken kon
geven, zoals in de tijd dat God Zijn volk uit Egypte leidde en Manna (het brood
uit de hemel) gaf.]
“Luister, het was niet Mozes die jullie het brood uit de
hemel heeft gegeven, maar het is Mijn Vader die jullie het ware Brood uit de
hemel geeft. Want het Brood van God is Hij, die neerdaalt vanuit de hemel en
leven geeft aan de wereld.”
[“Heer, geef ons vanaf nu dat brood.”]
“Ik ben het Brood dat leven geeft. Wie bij Mij komt zal
(geestelijk) nooit meer honger krijgen en wie in Mij gelooft zal nooit meer
dorst krijgen. Allen die de Vader aan Mij geeft, zullen bij Mij komen, en wie
bij Mij komt zal Ik nooit wegsturen. Ik ben niet uit de hemel gekomen om Mijn
eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Mij gestuurd heeft. En Hij wil dat Ik
niemand van de mensen die Hij Mij heeft gegeven kwijtraak; Hij wil dat Ik ze
zal opwekken op de laatste dag. Niemand kan bij Mij komen tenzij de Vader hem
(naar Mij toe) trekt (niet duwen of dwingen, maar trekken of aantrekken; de
keuze blijft bij het individu, je kunt nooit de schuld aan God geven dat je
niet bij Jezus terecht gekomen bent) en Ik zal hem opwekken op de laatste dag.
Er staat geschreven (in Jesaja 54:13): ‘Zij zullen allen worden onderwezen door
God.’ Iedereen die luistert naar de Vader en van Hem leert, komt bij Mij. (Wie
oprecht God zoekt, komt bij Jezus uit.) Niemand heeft ooit de Vader gezien,
behalve Degene die van God komt; Hij alleen heeft de Vader gezien. Luister, dit
is belangrijk, wie gelooft heeft eeuwig leven. Ik ben het Brood dat leven
geeft. Jullie voorouders aten het Manna in de woestijn en zijn gewoon
gestorven. Maar hier is het Brood dat uit de hemel gekomen is en als iemand dat
eet, zal hij niet sterven. Ik ben dat Brood dat uit de hemel neergedaald is, en
als iemand van dit Brood eet zal hij eeuwig leven. Dit Brood is Mijn vlees
(lichaam), dat Ik zal geven in ruil voor het leven van de wereld. Ja, het is
echt waar, tenzij je het vlees van de Mensenzoon eet en Zijn bloed drinkt heb
je geen leven in jezelf. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt heeft eeuwig
leven en Ik zal hem opwekken op de laatste dag. Want Mijn vlees is pas echt
voedsel en Mijn bloed de ware drank. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt,
blijft in Mij en Ik in hem. Net zoals de Vader van het leven Mij gezonden heeft
en Ik leef vanuit Hem, zo zal ook hij die zich met Mij voedt, leven vanuit Mij.
(Het vlees is een beeld van het lichaam, het uiterlijke, wat je doet. Het bloed
is een beeld van het innerlijk, de ziel, het leven, wat je denkt. Als dat
gevoed en vervuld wordt door wie Jezus is en wat Hij denkt, heb je eeuwig
leven.) Dit is het Brood dat neergedaald is uit de hemel, niet zoals het brood dat
de voorvaders aten, waarna ze gewoon gestorven zijn, maar wie dit Brood eet zal
eeuwig leven. Vinden jullie dit moeilijk te bevatten? Als jullie de Mensenzoon
nu eens zouden zien opstijgen naar waar Hij eerst was? (Dit zei Hij tegen zijn
leerlingen die hem inderdaad zouden zien opstijgen naar de hemel.) De Geest
geeft leven; het vlees betekent niets, voegt niets toe. De woorden die Ik tot
jullie heb gesproken zijn (vanuit de) Geest en (brengen) leven.”
(Joh.6:30-63)
“Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt zal nooit in
het duister tasten, maar het licht van het Leven hebben.”
(Joh.8:12)
“Wie dorst heeft, moet bij Mij komen om te drinken. Stromen
van levend water zullen uit het binnenste komen van hen die in Mij geloven (de
Heilige Geest die werkt in en door de gelovige).”
(Joh.7:37,38)
[Tegen een Samaritaanse vrouw bij een bron:]
“Ik kan je levend water geven. Wie van dit (bron-) water
drinkt, zal weer dorst krijgen, maar wie drinkt van het water dat Ik hem geef,
zal nooit meer dorst krijgen. Het is zelfs zo, dat het water dat Ik geef in hem
een bron van water zal worden, waaruit eeuwig leven voortkomt.”
[Joden en Samaritanen konden in die tijd niet zo goed met
elkaar opschieten en hadden zo min mogelijk contact met elkaar. De vrouw haalde
het twistpunt aan over waar men moest aanbidden: op “deze berg” (een
belangrijke plaats voor de Samaritanen), of in Jeruzalem?]
“Geloof Mij maar, er komt een tijd dat je de Vader noch op
deze berg, noch in Jeruzalem zult aanbidden. Jullie Samaritanen weten niet wat
jullie aanbidden; wij weten wel wat wij aanbidden, want de redding (van God)
komt vanuit de Joden. Maar er komt een tijd – en die tijd is nu aangebroken –
dat echte aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid (dus
niet op een bepaalde plaats, maar van binnen, in je hart, waar je niets voor
Hem kunt verbergen), want dat is het soort aanbidders waar de Vader naar zoekt.
God is geest en Zijn aanbidders moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid.”
[De vrouw zei: “Ik weet dat de Gezalfde (de redder) zal
komen, en wanneer Hij komt, zal Hij alles aan ons uitleggen.”]
“Je spreekt nu met Hem.”
(Joh.4:9-26)
“Wie in de duisternis wandelt weet niet waar hij heengaat.
Wanneer iemand in Mij gelooft, gelooft hij niet alleen in Mij, maar ook in
Degene die Mij gestuurd heeft. En wie mij ziet, ziet Hem die mij gezonden
heeft. Ik ben in de wereld gekomen als een licht, zodat niemand die in Mij
gelooft in de duisternis hoeft te blijven.”
(Joh.12:35,44-46)
(Joh.3:1-21)
[Er kwam een religieuze leider bij Hem, een zekere
Nicodemus, die zei: “Meester, wij weten dat u een leraar bent die van God
gekomen is. Want niemand kan de wonderen doen die u doet, als God niet met hem
is.”]
“Luister goed, niemand kan het Koninkrijk van God zien,
tenzij hij opnieuw geboren (of verwekt) wordt.”
[Hij zei: “Maar hoe kan een mens opnieuw geboren worden als
hij al oud is? Je kunt toch niet voor een tweede keer de buik van je moeder
ingaan, om geboren te worden?”]
“Nee, luister, dit is belangrijk: niemand kan het Koninkrijk
van God ingaan, tenzij hij geboren is uit water en Geest. Uit een lichaam wordt
een lichaam geboren, maar uit de Geest wordt geest geboren. Je moet niet
verbaasd zijn, als Ik zeg dat jullie opnieuw geboren moeten worden. De wind
blaast waarheen hij wil. Je hoort het geluid van de wind, maar je kunt niet
zeggen waar het vandaan komt of waar het naartoe gaat. Zo is het ook met
iedereen die uit de Geest geboren is.”
[Nicodemus vroeg hoe dat dan kan gebeuren.]
“U bent een leraar van Israël en u begrijpt deze dingen
niet? Ik zal jullie vertellen, wij spreken van dingen die we kennen, en we getuigen
van wat we gezien hebben, maar jullie kunnen toch niet accepteren wat wij
zeggen. Ik heb jullie verteld over dingen van deze aarde en je gelooft Mij
niet; hoe zal je dan geloven wat Ik zeg over dingen van de hemel? Niemand is
ooit de hemel ingegaan, behalve Degene die uit de hemel komt: de Mensenzoon
(dus Ik weet waar Ik over praat). Zoals Mozes in de woestijn de (bronzen) slang
ophief, (aan een paal, zodat iedereen die genezing nodig had van de
slangenbeten en naar die slang keek, genezen werd,) zo moet de Mensenzoon ook
opgeheven worden zodat iedereen die in Hem gelooft, eeuwig leven zal hebben.
Want God had de (mensen in de) wereld zo lief, dat Hij Zijn enige (op aarde
geboren) Zoon gaf. Zodat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, (vernietigd
wordt,) maar eeuwig leven heeft. Want God heeft zijn Zoon niet de wereld
ingestuurd om de wereld te veroordelen, maar om de wereld door Hem te redden.
Wie in Hem gelooft wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft is al
veroordeeld omdat hij niet heeft geloofd in de naam van Gods enige Zoon. En dit
is het vonnis: licht is de wereld binnengekomen, maar mensen hebben de
duisternis liever gehad dan het licht omdat ze slechte dingen doen. Iedereen
die slechte dingen doet, heeft een hekel aan het licht en hij komt ook niet in
het licht, omdat hij bang is dat zijn daden aan het licht komen. Maar wie leeft
met de waarheid komt in het licht, zodat duidelijk te zien is dat hij de dingen
die hij deed, vanuit God gedaan heeft.”
(Mat.26:6-13; Mrk.14:3-9; Luk.7:36-50; Joh.12:1-8)
[Jezus was uitgenodigd bij Simon, een Joodse godsdienstige
leider. Tijdens het eten kwam er een vrouw bij Hem die bekend stond als iemand
die een zondig leven geleid had. Zij maakte Zijn voeten nat met haar tranen en
droogde ze met haar haren af. Daarna zalfde zij Hem met heel dure parfumolie
(één kruikje was ongeveer een jaarsalaris waard). De leerlingen vonden het een
verspilling, omdat het spul duur verkocht en het geld aan de armen gegeven had
kunnen worden. En Simon vond dat Jezus zich niet eens door een dergelijke vrouw
zou moeten laten aanraken. Hij dacht dat als Jezus een profeet was, Hij toch
wel geweten zou hebben wie die vrouw was.]
“Simon, Ik moet je iets vertellen. Twee mannen hadden geld
geleend. De ene man 500 daglonen en de andere 50. Geen van beiden kon het
verschuldigde bedrag terug betalen, dus werden de beide bedragen
kwijtgescholden. Welke van de twee mannen zou het meest dankbaar zijn geweest?”
[Simon: “De man die het meeste geld schuldig was, denk ik.”]
“Dat heb je goed beoordeeld. Kijk eens naar deze vrouw. Ik
kwam bij jou in huis en je hebt me geen water gegeven om Mijn voeten te wassen,
maar zij heeft Mijn voeten gewassen met haar tranen en ze afgedroogd met haar
haren. (Het was in die tijd gebruikelijk om je gasten door een bediende de
voeten te laten wassen wanneer ze binnen kwamen.) Jij hebt Mij niet begroet met
een kus (ook gebruikelijk), maar deze vrouw heeft Mijn voeten gekust vanaf het
moment dat Ik binnenkwam. Jij hebt geen olie op Mijn hoofd gegoten, maar zij
heeft (die hele dure) parfumolie op Mijn voeten gegoten. Daarom zeg Ik tegen
jou: al haar zonden, en dat waren er veel, zijn haar vergeven en daarom heeft
ze zoveel liefde geuit, maar hij die weinig vergeven is, uit ook weinig liefde.”
[Tegen de vrouw:]
“Je zonden zijn je vergeven. Je geloof heeft je gered, ga in
vrede.”
[En tegen de leerlingen:]
“Waarom vallen jullie haar lastig? Zij heeft iets heel moois
voor Mij gedaan. De armen zullen jullie altijd in de buurt hebben en je kunt ze
helpen wanneer je wilt, maar Mij zul je niet altijd bij je hebben. Zij heeft
gedaan wat ze kon. Toen zij dit parfum op Mijn lichaam goot, deed zij dat als
voorbereiding op Mijn begrafenis. Ik zal je zeggen: waar het goede nieuws ook
verkondigd wordt, zal wat zij gedaan heeft ook verteld worden, ter herinnering aan haar.”
Over volgelingen en het
volgen van Jezus
[Jezus en zijn leerlingen waren bij een zekere Martha thuis
uitgenodigd. Martha had een zus, Maria, die bij Zijn voeten naar Hem zat te
luisteren. Martha was heel druk bezig met allerlei voorbereidingen en zei:
“Heer, vindt u het niet erg dat mijn zus al dat werk aan mij overlaat? Zeg haar
dat ze mij helpt!”]
“Martha, Martha, jij maakt je zo druk over van alles en nog
wat, maar slechts één ding is echt nodig. Maria heeft dat gekozen wat beter is
en het zal haar niet afgenomen worden.”
(Luk.10:38-42)
[Toen men Jezus, die net in een vol huis sprak, vertelde dat
zijn moeder en broers buiten stonden en hem graag wilden spreken:]
“Wie is Mijn moeder en wie zijn Mijn broers? [Hij wees naar
zijn leerlingen.] Hier zijn Mijn moeder en broers; zij die het woord van God
horen en doen. Want wie de wil doet van Mijn Vader in de hemel, is Mijn broer,
Mijn zus en Mijn moeder.”
(Mat.12:46-50; Mrk.3:31-35; Luk.8:20,21)
“Stel dat iemand een knecht heeft die voor hem ploegt, of
voor zijn schapen zorgt; wanneer die knecht van het land komt, zou hij dan
tegen hem zeggen: ‘Kom lekker bij ons zitten om te eten’? Zou hij niet eerder
zeggen: ‘Maak mijn eten klaar, kleed je behoorlijk en wacht tot ik klaar ben,
dan kun jij ook gaan eten en drinken’? Zou hij de knecht bedanken, omdat hij
gedaan heeft wat hij moest doen? Zo moeten jullie ook alles doen wat je
opgedragen is. En als je dan klaar bent, moet je zeggen: ‘Wij zijn maar
eenvoudige dienaren. We hebben alleen onze plicht gedaan.’”
(Luk.17:7-10)
[Toen mensen kleine kinderen bij Hem brachten en de
leerlingen ze weg wilden sturen:]
“Laat de kleine kinderen bij Mij komen en houd ze niet
tegen, want het Koninkrijk van God behoort toe aan hen die zijn zoals zij.”
(Mat.19:13,14; Mrk.10:13,14; Luk.18:15,16)
[Een schriftgeleerde zei: “Ik zal u overal volgen.”]
“Vossen hebben holen en vogels hebben nesten, maar de
Mensenzoon heeft geen plaats om zijn hoofd neer te leggen.”
[Een van Zijn leerlingen zei: “Ik wil eerst mijn vader
begraven.”]
“Volg Mij, en laat de doden hun eigen doden begraven, maar
jij moet eropuit gaan en het Koninkrijk van God verkondigen.” (Je moet het
volgen van Jezus niet uitstellen door eerst af te wachten tot je niets of
niemand anders meer hebt om voor te leven.)
[Iemand anders: “Ik zal u volgen Heer, maar laat me eerst
terug gaan en afscheid nemen van mijn familie.”]
“Iemand die zijn hand aan de ploeg zet en achterom kijkt,
is niet geschikt om te dienen in het Koninkrijk van God.”
(Mat.8:19-22; Luk.9:57-62)
[De moeder van twee van Zijn leerlingen kwam vragen of haar
zoons links en rechts van Hem mochten zitten in Zijn Koninkrijk:]
“Je weet niet wat je vraagt; kunnen jullie uit de beker
drinken waar Ik uit ga drinken, of gedoopt worden met de doop die ik moet
ondergaan?”
[Zij antwoordden: “Dat kunnen wij.”]
“Jullie zullen inderdaad drinken uit Mijn beker en mijn doop
ondergaan, maar om links of rechts van Mij te zitten is niet aan Mij om te bepalen.
Die plaatsen behoren toe aan hen voor wie ze zijn voorbereid door Mijn Vader.”
[De andere leerlingen werden boos op de twee en Jezus riep
ze bij elkaar.]
“Jullie weten dat de leiders van de volken over hen heersen
en hoge officieren autoriteit over hen uitoefenen. Zo moet het bij jullie niet
zijn. Een ieder van jullie die groot wil worden, moet jullie dienaar zijn en
wie de eerste wil zijn, moet de minste worden. De Mensenzoon is ook niet
gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn leven te geven als een
losprijs voor velen.”
(Mat.20:20-28; Mrk.10:35-45; Luk.22:25-27)
[Tegen een belastinginner die zei dat hij de helft van zijn
bezittingen aan de armen zou geven en allen die hij afgeperst had viervoudig
terug zou betalen:]
“Vandaag is er redding in dit huis gekomen, want deze man is
ook een zoon van Abraham. De Mensenzoon is gekomen om te zoeken wat verloren
is.”
(Luk.19:8-10)
“Wees op je hoede voor bepaalde mensen. Ze zullen jullie
voor het gerecht dagen en laten geselen. Jullie zullen voor heersers en
koningen gebracht worden om daar van Mij te getuigen. Maar wanneer ze jullie
arresteren, maak je niet druk over wat je zult zeggen en hoe je het moet
zeggen. Op het juiste moment zul je weten wat je zeggen moet; want het zal niet
vanuit jezelf komen, maar de Geest van je Vader zal door je heen spreken, Hij
zal je op dat moment leren wat je zeggen moet.”
(Mat.10:17-20; Mrk.13:9,11; Luk.12:11,12)
“Een leerling staat niet boven zijn meester. Het is genoeg
voor de leerling om gelijk te worden aan zijn meester en de dienaar gelijk aan
zijn heer. Als het hoofd van de huishouding de overste van de boze geesten
genoemd wordt, hoeveel temeer de leden van de huishouding!”
(Mat.10:24,25; Luk.6:40)
“Wees niet bang voor mensen die je kwaad kunnen doen. Er is
niets verborgen wat niet zal worden onthuld, of verstopt dat niet bekend zal
worden gemaakt. Wat in het donker gezegd is, zal worden uitgesproken in het
daglicht; wat in het geheim gefluisterd wordt, zal aan het licht komen en
worden verkondigd van de daken. Vrienden, wees niet bang voor hen die wel het
lichaam kunnen doden, maar niet de ziel. Na het doden van het lichaam kunnen ze
niets meer doen. Wees liever bang (heb ontzag) voor Degene die na het doden van
het lichaam, de ziel kan vernietigen in de hel. Ja, heb ontzag voor Hem!
Wat zijn mussen in jullie ogen waard? Worden ze niet voor
een paar centen op de markt verkocht? En toch valt er niet één op de grond,
zonder dat jullie Vader het wil. God vergeet er niet één. En zelfs de haren op
je hoofd zijn allemaal geteld.
Wees dus niet bang; jullie zijn meer waard dan vele mussen.
Iemand die zich aan Mijn woorden houdt, zal nooit de dood zien.”
(Mat.10:26-31; Mrk.4:22; Luk.8:17; 12:2-7)
“Wie Mij belijdt voor mensen, die zal ik ook belijden voor
de engelen en Mijn Vader in de hemel. Maar wie Mij verloochent tegenover
mensen, hem zal Ik verloochenen tegenover de engelen en Mijn Vader in de hemel.
Denk niet dat Ik ben gekomen om vrede te brengen op aarde. Nee, geen vrede,
maar verdeeldheid en het zwaard. Want Ik ben gekomen om ‘een man tegen zijn
vader te keren, een dochter tegen haar moeder, schoondochter tegen
schoonmoeder’. En: ‘Je vijanden zullen leden van je eigen gezin zijn’ (Micha
7:6. Je moet niet vertrouwen op mensen; zelfs niet op leden van je eigen gezin.
Ieder mens moet zelf op God vertrouwen, in Hem geloven. Dat houdt in dat er
zelfs binnen een gezin conflicten kunnen ontstaan, omdat de één wel gelooft en
de ander niet). Iemand die zijn vader, moeder, zoon, dochter of zelfs zijn
eigen leven meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waard en kan geen leerling van
mij zijn. En iemand die zijn kruis niet op zich neemt en Mij volgt, is Mij niet
waard en kan geen leerling van mij zijn. Wie zijn eigen leven belangrijker
vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest voor Mij, zal het
behouden en het eeuwige leven vinden.
(Mat.10:32,39; Luk.12:8,9,51-53; 14:26,27; 17:33;
Joh.12:25)
Wie Mij dient, moet Mij volgen en waar Ik ben, daar zal Mijn
dienaar ook zijn. Mijn Vader zal degene die Mij dient huldigen.”
(Joh.12:26)
“Stel dat iemand van jullie een toren wil bouwen. Zal hij
dan niet eerst gaan zitten en de kosten berekenen, om te zien of hij wel genoeg
geld heeft om het af te maken? Want als hij het fundament al heeft liggen en
hij is niet in staat om de rest te bouwen, zal iedereen die het ziet hem
belachelijk maken. Ze zullen zeggen: ‘Die kerel begon te bouwen, maar hij kon
het niet eens afmaken!’ Of stel je voor dat een koning op het punt staat ten
strijde trekken tegen een andere koning. Zal hij dan niet eerst rustig gaan
zitten en overwegen of hij wel met tienduizend man tegen die ander op kan
trekken, die met twintigduizend man op hem af komt? Als hij daar niet toe in
staat is, zal hij een delegatie sturen, terwijl de ander nog ver weg is en hij
zal vragen om een vredesovereenkomst. Zo kan ook niemand van jullie Mijn
leerling (volgeling) zijn, als hij niet alles opgeeft wat hij heeft.”
(Luk.14:28-33)
“Jullie zijn het zout van de wereld, maar als het zout zijn
werking verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden? (Hoe kunnen mensen
iets van God ervaren als jullie het niet laten zien? Zout geeft smaak en heeft
een conserverende werking.) Het is nergens anders meer goed voor, dan
weggegooid en vertrapt te worden of op de mesthoop gegooid te worden. Wees als
zout (Letterlijk: laat er zout in - of temidden van - jullie zijn.) en leef in
vrede met elkaar.”
(Mat.5:13; Mrk.9:49,50; Luk.14:34,35)
“Een man die wandelt bij daglicht, zal niet struikelen, want
hij ziet alles goed door het licht van de zon. Als hij wandelt wanneer het
nacht is, kan hij struikelen, want hij heeft geen licht. Jullie zijn het licht
van de wereld. Een stad op een heuvel kan niet verborgen blijven. Mensen
verstoppen een lamp toch ook niet in de kelder, onder een emmer of onder een
bed? Ze zetten hem op een standaard zodat hij licht geeft aan iedereen de kamer
binnenkomt. Laat op diezelfde manier jullie licht schijnen voor de mensen,
zodat ze zien welke goede dingen jullie doen en jullie Vader in de hemel
daarvoor eren. Wat verstopt (of verborgen) is, zal in de openbaarheid moeten
komen.”
(Mat.5:14-16; Mrk.4:21; Luk.8:16; 11:33; Joh.11:9,10)
“De ogen zijn de lamp van het lichaam. Als je ogen gezond
zijn en zuiver kijken, (als je op een zuivere manier naar mensen en dingen kijkt,)
zal je hele lichaam vol licht zijn. Als je oog slecht is en onzuiver kijkt (als
je naar de verkeerde dingen kijkt, of op een verkeerde manier naar mensen of
dingen kijkt,) zal je hele lichaam vol duisternis zijn. Pas dus op dat het
licht in je geen duisternis is. Als het licht dat door je ogen naar binnen komt
duister is, hoe erg zal die duisternis dan zijn! Als je hele lichaam vol van
licht is, zal het helemaal helder zijn, zoals een lamp licht geeft.”
(Mat.6:22,23; Luk.11:34-36)
“Luister goed naar wat Ik tegen jullie zeg: wat je ook bind
op aarde, zal gebonden zijn in de hemel, en wat je ook losmaakt op aarde, zal
los gemaakt zijn in de hemel. Ik zeg jullie (met nadruk) dat als twee van
jullie op aarde overeenstemmen in iets wat je aan Mijn hemelse Vader vraagt,
zal Hij het voor jullie doen. Want als twee of drie samen zijn in Mijn naam,
dan ben ik bij hen.”
(Mat.18:18-20)
“Gezegend zijn de armen (of: armen van geest - mensen die
niet zelfingenomen zijn), want het Koninkrijk van God is van hen.”
(Mat.5:3; Luk.6:20)
“Gezegend zijn zij die nu honger hebben (of: die honger en
dorst hebben naar recht en gerechtigheid), want zij zullen verzadigd worden.”
(Mat.5:6; Luk.6:21)
“Gezegend zijn zij die treuren, want zij zullen getroost
worden. Je bent gezegend als je nu huilt, want je zult lachen.”
(Mat.5:4; Luk.6:21)
“Gezegend zijn zachtmoedige mensen, want zij zullen de aarde
beërven.”
(Mat.5:5)
“Gezegend zijn zij die genadig zijn, want zij zullen genade
ontvangen.”
“Gezegend zijn zij die een zuiver hart hebben, want zij
zullen God zien.”
“Gezegend zijn de vredestichters, want zij zullen zonen van
God genoemd worden.”
(Mat.5:7-9)
“Gezegend zijn zij die vervolgd worden vanwege (hun)
rechtvaardigheid, want van hen is het Koninkrijk van God. Gezegend ben je
wanneer mensen je beledigen, vervolgen, buitensluiten, allerlei slechte dingen
van je zeggen en je zwart maken, vanwege Mij. Verheug je en wees blij, spring
op van vreugde, want je loon zal groot zijn in de hemel. Zo hebben ze immers ook
de profeten van weleer vervolgd.”
(Mat.5:10-12; Luk.6:22,23)
“Maar pas op, het kan je zeer slecht vergaan als je nu rijk
bent, want je hebt nu alles wat je hartje begeert. En kijk uit, als je nu goed
doorvoed bent, je kon wel eens honger gaan lijden. Wees op je hoede als je nu
lacht, want als je niet uitkijkt zul je straks jammeren en huilen. Het kan er
slecht voor je uitzien als mensen nu goed van je spreken, want zo behandelde
men vroeger de valse profeten ook.”
(Luk.6:24-26)
“Doe altijd voor anderen, wat je graag wilt dat ze voor jou
doen. Dat is een korte samenvatting van de Wet en de Profeten.”
(Mat.7:12; Luk.6:31)
“Ik ben niet gekomen om de Wet en de Profeten (het Oude
Testament) af te schaffen maar om ze te vervullen. Neem maar van Mij aan:
totdat hemel en aarde verdwijnen en alles vervuld is, zal nog niet eens een
komma of punt (Jot of Tittel, vergelijkbaar met een puntje op de i of een
streepje in de t) verdwijnen uit de Wet. Iemand die ook maar de minste van alle
wetten breekt (of ontbindt) en anderen leert hetzelfde te doen, zal de minste
zijn in het Koninkrijk van God. Maar wie deze wetten navolgt en onderwijst zal
groot genoemd worden in het Koninkrijk van God. Want Ik zeg jullie dat, tenzij
jullie rechtvaardigheid die van de geestelijke leiders overtreft, jullie nooit
het Koninkrijk van God binnen zullen gaan.” (Bedenk dat Jezus dit zegt tegen
Joden die volgens die wetten moesten leven. Later wordt duidelijk dat Hij ‘de
Raadgever’, de Heilige Geest zou sturen om de ‘wetten’ in onze ‘harten en
gedachten te schrijven’. Zie Hebreeën 9:1 t/m 10:18. En de rechtvaardigheid van
de leiders was niet zo groot als het leek, omdat hun zogenaamde religieuze
perfectie alleen maar uiterlijk vertoon was. Jezus sprak ze er ook op aan,
bijvoorbeeld in Mat.15:3-6 en Mat.23:16-23, dat ze zoveel nadruk legden op
details, terwijl ze belangrijke dingen als genade en trouw verwaarloosden.)
(Mat.5:17-20; Luk.16:17)
“Jullie hebben vast wel gehoord, dat er gezegd is: ‘Je mag
niet moorden’ en ‘Iemand die een ander vermoordt, zal veroordeeld worden’. Maar
Ik zeg: wie zonder reden kwaad is op zijn broeder zal veroordeeld worden. Wie
zijn broeder beledigt zal zich voor mensen moeten verantwoorden, maar wie zijn
broeder veracht krijgt het oordeel van God te verduren. Dus als je voor God
wilt komen en je herinnert je dat je iets tegen je broeder misdaan hebt, maak
het dan eerst goed met je broeder en ga dan naar God toe.”
(Mat.5:21-24)
“Als een schuldeiser je voor de rechter daagt, regel dan zo
snel mogelijk een schikking, liefst nog voordat je voor de rechter moet
verschijnen, zodat je niet in de handen van het gerecht valt en in de
gevangenis belandt.”
(Mat.5:25)
“Jullie hebben vast wel gehoord dat er gezegd is: ‘Je mag
geen overspel plegen.’ Maar Ik zeg: als je begerig naar een vrouw kijkt, heb je
in je hart al overspel gepleegd. Als je rechteroog je tot zonde verleidt, ruk
het uit en gooi het weg. En als je rechterhand (of je voet) je tot zonde
verleidt, hak hem af en gooi hem weg. Je kunt immers beter blind en zonder
handen (of voeten) in de hemel komen dan met ogen en handen in de hel belanden.
(Het is niet waarschijnlijk dat Jezus dit letterlijk bedoelde. Je kunt het
misschien het beste zo zien: Als je door iets te zien in verleiding komt, vlucht
er dan van weg, ruk jezelf ervan los en kijk er niet meer naar. En als je iets
in je handen krijgt of je bezit iets waardoor je in verleiding komt, maak er
korte metten mee en smijt het weg. Als je de neiging hebt om ergens naartoe te
gaan waar je niet zou moeten zijn, doe er dan alles aan om het jezelf
onmogelijk te maken om daar nog naartoe te gaan.)”
(Mat.5:27-30; 18:8,9; Mrk.9:43-48)
“Als je vasthoudt aan Mijn onderwijs, ben je een echte
leerling (volgeling) van Mij. Dan zul je de waarheid kennen en de waarheid zal
je vrijmaken. Luister goed, iedereen die (regelmatig) zondigt is een slaaf van
de zonde. Een slaaf heeft geen vaste plaats in het gezin, maar een zoon behoort
voor altijd bij het gezin. Dus als de Zoon je vrijmaakt, ben je pas echt vrij.”
(Joh.8:31-36)
“Jullie hebben ook vast wel gehoord dat er gezegd is: ‘Breek
je eed niet, maar houd je aan de eed die je voor God hebt afgelegd’. Maar Ik
zeg: je moet helemaal niet zweren, niet bij God en niet bij jezelf, want je
kunt nog niet eens een haar op je hoofd grijs, of weer donker laten worden. Als
je ‘Ja’ zegt, laat het dan ‘Ja’ zijn en als je ‘Nee’ zegt, laat het dan gewoon
‘Nee’ zijn; meer woorden gebruiken is verkeerd.”
(Mat.5:33-37)
“Jullie hebben gehoord dat er gezegd is: ‘Oog om oog, tand
om tand’. Maar Ik zeg: bied geen weerstand aan een slecht mens. Als iemand je
beledigt, zeg dan niets terug en laat hem zijn gang maar gaan. Als iemand je
aanklaagt (voor de rechter daagt) en iets van je eist (waar hij recht op
heeft), geef hem er nog wat bij. Als iemand je dwingt om iets voor hem te doen,
doe dan twee keer zoveel. (Jezus gebruikte hier een voorbeeld uit de praktijk:
De Romeinse bezetters hadden het recht om Joden een mijl met hen mee te laten
lopen en hun bepakking te dragen. Jezus zei dat ze dan een extra mijl mee
moesten lopen.) Geef, als iemand iets van je vraagt en wijs niemand af, die
iets van je wil lenen.”
(Mat.5:38-42; Luk.6:29,30)
“Jullie hebben wel gehoord dat er gezegd is: ‘Heb je buurman
lief maar haat je vijand’. Ik zeg: houd van je vijanden, doe goed aan hen die
jou haten, zegen hen die jou vervloeken en bid voor hen die jou vervolgen of
mishandelen, zodat jullie zonen van je hemelse Vader genoemd mogen worden. Hij
laat de zon opgaan over slechte en goede mensen, en zendt regen voor de
rechtvaardige en de onrechtvaardige. Hij is ook goed voor de ondankbare en de
slechte mensen.
Als iemand je op de ene wang slaat (dat was in die tijd een
manier om te laten zien dat iemand jou zwaar beledigd had), keer hem ook de
andere toe. Als je alleen van de mensen houdt die van jou houden, of aardig
bent voor degenen die wat voor je kunnen terugdoen, wat heeft dat voor zin? Dat
doen slechte mensen ook. En als je alleen uitleent aan mensen waarvan je
verwacht dat ze het wel weer teruggeven, word je daar beter van? Slechte mensen
lenen elkaar ook dingen uit om er iets voor terug te krijgen. Maar houd van je
vijanden en doe goed, leen uit zonder iets terug te verwachten en je beloning
zal groot zijn. Je zult zonen van de Allerhoogste zijn, want Hij is vriendelijk
voor de ondankbare en slechte mensen. Wees volmaakt (dat betekent niet dat je
helemaal zonder zonden moet zijn, want niemand behalve Jezus is in die zin
volmaakt, maar meer in de zin van volkomen onzelfzuchtig en vrijgevig), wees genadig,
zoals jullie hemelse Vader dat ook is.”
(Mat.5:43-48; Luk.6:27-29,32-36)
[Toen Joodse wetgeleerden vroegen waarom de leerlingen zich
niet aan de tradities hielden door hun handen niet te wassen voor het eten:]
“En waarom breken jullie de wet van God ter wille van
jullie tradities? Want God heeft door Mozes gezegd (in Exodus 20:12): ‘Eer je
vader en je moeder’. En (in Exodus 21:17): ‘Wie zijn vader of moeder vervloekt
(of onteert), moet ter dood gebracht worden’. Maar jullie zeggen dat als iemand
tegen zijn ouders zegt: ‘De ondersteuning die jullie anders zouden ontvangen, heb
ik al aan God gegeven. (Ik hoef jullie niet te ondersteunen want ik geef mijn
tienden aan de priesters.)’, hoeft hij zijn ouders daar niet mee te eren. Zo
doen jullie het woord van God teniet ter wille van jullie tradities. En jullie
doen veel van dat soort dingen. Huichelaars! Jesaja (29:13) had het bij het
rechte eind toen hij over jullie profeteerde: ‘Deze mensen eren Mij met hun
lippen, maar hun hart is verre van Mij. Zij aanbidden Mij, maar het heeft geen
zin. Hun leer bestaat slechts uit regels die door mensen bedacht zijn.’ Jullie
maken er een potje van, door jullie eigen tradities boven de regels van God te
stellen.”
[Tegen de andere mensen:]
“Laat dit goed tot je doordringen: wat door de mond naar
binnen gaat maakt je niet ‘onrein’, maar wat er uit komt, dat maakt je
‘onrein’. ”
(Mat.15:1-11; Mrk.7:5-13)
[Petrus: “Verklaar dat eens nader”.]
“Snap je het nou nog niet? Zie je niet dat wat door je mond
naar binnen gaat niet in je hart maar in je buik terechtkomt en er dan weer uit
gaat? Maar de dingen die je mond uitkomen, komen uit het hart en die maken een
mens ‘onrein’. Want uit het hart komen de slechte gedachten: moord, overspel,
seksuele immoraliteit (ontucht), diefstal, gierigheid, slechte bedoelingen,
verraad, jaloersheid, valse getuigenissen (leugens), laster (roddel),
arrogantie en dwaasheid. Dat soort slechte dingen komen van binnenuit en maken
een mens ‘onrein’. Maar het eten met ongewassen handen maakt hem niet
‘onrein’.”
(Mat.15:15-20; Mrk.7:14-23)
[De leerlingen vroegen: “Weet u wel dat u de wetgeleerden
beledigd hebt?”]
“Elke plant die Mijn Vader niet geplant heeft, zal met
wortel en tak uitgeroeid worden. Laat ze maar, het zijn blinde leiders. Als een
blinde man een blinde begeleidt, vallen ze beiden in een put.”
(Mat.15:12-14; Luk.6:39)
“Wanneer je broeder (een medegelovige) tegen je zondigt (je
onrechtvaardig behandelt of schade toebrengt), ga dan naar hem toe, laat hem
zien wat hij fout gedaan heeft en probeer het samen op te lossen. Als hij naar
je luistert, heb je hem gewonnen. Maar als hij niet wil luisteren, neem dan één
of twee anderen mee, zodat ‘een zaak vastgesteld kan worden wanneer er twee of
drie getuigen aanwezig zijn’ (Deuteronomium 19:15). Als hij ook naar hen
weigert te luisteren vertel het dan aan de gemeente (gemeenschap van
gelovigen); en als hij zelfs naar de gemeente weigert te luisteren, moet je hem
behandelen als een heiden of een belastinginner.” (Je moet hem dus behandelen
als een ongelovige.)
(Mat.18:15-17)
[Wetgeleerden vroegen Hem of het voor een man toegestaan was
om van zijn vrouw te scheiden, om wat voor reden dan ook.]
“Hebben jullie niet gelezen (in Genesis 1:27) dat de
Schepper hen in het begin als ‘man en vrouw’ maakte (in Genesis 2:24): ‘Daarom
zal een man zijn vader en moeder verlaten en verenigd worden met zijn vrouw en
die twee zullen tot één wezen (vlees) worden’. Zij zijn niet langer twee, maar
één. Dus laat niemand scheiden wat God heeft samengevoegd.”
[Zij vroegen waarom Mozes dan wel had gezegd dat een man een
“scheidingsbewijs” moest maken om zijn vrouw te kunnen wegsturen.]
“Mozes heeft jullie toegestaan om van jullie vrouwen te
scheiden, omdat jullie harten verhard (eigenwijs) waren. Maar zo is het vanaf
het begin niet geweest. Ik zeg jullie dat iemand die om een andere reden dan
ontrouw van zijn vrouw scheidt en met een andere vrouw trouwt, overspel pleegt.
Ook dwingt hij haar om een overspelige te worden en degene die deze gescheiden
vrouw trouwt, pleegt daarmee overspel. En als een vrouw van haar man scheidt en
een ander trouwt, pleegt zij ook overspel.”
[De leerlingen vonden dat je dan beter niet kon trouwen.]
“Niet iedereen zal deze woorden aanvaarden, behalve degene
aan wie het gegeven is: want sommigen zijn niet in staat om te trouwen, omdat
ze van hun geboorte af verminkt zijn; sommigen zijn zo geworden door toedoen
van mensen. En weer anderen hebben het huwelijk afgezworen ter wille van het
Koninkrijk van God. Wie het aanvaarden kan, moet dat maar doen.”
(Mat.5:32; 19:3-12; Mrk.10:2-12; Luk.16:18)
[Andere religieuze leiders die niet in de opstanding uit de
dood geloofden, kwamen met een stelling: een vrouw heeft een man en wanneer die
sterft, trouwt één van zijn broers met haar, om in haar levensonderhoud te
voorzien. Die broer sterft ook en zo gaat het door tot ze met alle broers
getrouwd is geweest. Ze vroegen Hem met welke man die vrouw bij de opstanding
getrouwd is.]
“De mensen van dit tijdperk (deze tijd, hier op aarde)
trouwen en worden uitgehuwelijkt, maar dat geldt niet voor hen die waardig
bevonden worden om het volgende tijdperk in te gaan. Jullie maken een denkfout,
want jullie kennen de geschriften niet, noch de kracht van God. Bij de
opstanding zullen mensen niet meer trouwen of uitgehuwelijkt worden, want ze
kunnen niet meer sterven en zullen zijn als de engelen in de hemel. Ze zijn kinderen
van de opstanding en daarmee kinderen van God. Maar nu even over de opstanding
van de doden… Hebben jullie niet gelezen wat God tegen Mozes gezegd heeft bij
de brandende braamstruik: ‘Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de
God van Jakob’? (Ex.3:2-6) Hij is niet de God van de doden, maar van de
levenden.”
[De mensen waren diep onder de indruk van Zijn onderwijs.]
(Mat.22:23-33; Mrk.12:18-27; Luk.20:26-40)
[Jezus riep Zijn leerlingen en de andere mensen bij elkaar.]
“De godsdienstige leiders moeten jullie de wet van Mozes
voorhouden. Dus jullie moeten ze gehoorzamen en doen wat ze zeggen, maar niet
doen wat zij doen, want zij brengen niet in praktijk wat ze verkondigen. Ze
leggen zware lasten op de schouders van mensen, maar zelf steken ze er nog geen
vinger naar uit. Alles wat ze doen, doen ze alleen maar om gezien te worden
door mensen. Ze lopen graag rond in mooie gewaden en dragen opzichtige religieuze
symbolen; ze zijn gek op de ereplaats die ze bij feesten krijgen en de
belangrijke zitplaats in de synagogen. Ze persen weduwen alles af (zelfs hun
huis) en zeggen voor de show lange gebeden op. Zulke mensen zullen zwaar
gestraft worden. Ze houden ervan om overal begroet te worden en dat mensen hen
‘meester’ noemen. Maar jullie moeten jezelf geen ‘meester’ laten noemen, want
jullie hebben maar één Meester en zijn allemaal broers. En noem niemand op
aarde ‘vader’, want jullie hebben één Vader en die is in de hemel. Je moet je
ook geen ‘leraar’ laten noemen, want je hebt één Leraar en dat is de Gezalfde.
De grootste onder jullie, moet jullie dienaar zijn.”
(Mat.23:1-12; Mrk.12:38-40; Luk.20:46,47)
“Kijk uit dat je niet goede daden doet om gezien te worden
door andere mensen. Als je dat doet krijg je geen beloning van je Vader in de
hemel. Als je geeft aan de behoeftige, doe dat dan niet met een hoop bombarie,
zoals schijnheilige mensen doen die graag in de openbaarheid treden met hun
gulheid om te worden geëerd door mensen. Ik zeg: zij hebben hun beloning al
ontvangen. Maar als je geeft aan de behoeftige, laat dan je linkerhand niet
weten wat je rechterhand doet. Geef liever in het geheim. Dan zal je Vader, die
ziet wat er in het geheim gebeurt, je belonen.”
(Mat.6:1-4)
“Geef geen heilige dingen aan de honden en gooi geen parels
voor de zwijnen (de mooie dingen van God aan slechte, goddeloze mensen). Als je
dat doet, zullen ze het vertrappen, zich omkeren en jou verscheuren.”
(Mat.7:6)
[Eén van de leerlingen zei dat er iemand rondliep die
demonen uitdreef in de naam van Jezus en dat ze hem gestopt hadden.]
“Stop hem niet. Niemand kan een wonder doen in Mijn naam en
het volgende moment iets slechts over Mij zeggen. Wie niet tegen jullie is, is
voor jullie. (Iemand die niet tegenwerkt, moet in dit geval een voorstander
zijn.) Het is zelfs zo, dat iemand die jou een kopje water geeft in Mijn naam,
omdat je bij Mij (letterlijk: de Gezalfde) hoort, zijn beloning niet zal
mislopen.”
(Mrk.9:39-41)
“Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt,
ontvangt Hem die Mij gestuurd heeft. Wie een profeet ontvangt als een profeet,
krijgt ook het loon van een profeet. En wie een rechtvaardig mens ontvangt als
een rechtvaardige, zal ook het loon van een rechtvaardige ontvangen. Dus als
iemand zelfs maar een kopje koud water geeft aan één van deze dierbare
leerlingen van Mij, zal hij zijn beloning zeker niet mislopen.”
(Mat.10:40-42; Mrk.9:37; Joh.13:20)
“Wanneer iemand je uitnodigt op een bruiloftsfeest, ga dan
niet op de ereplaats zitten, want er zou iemand uitgenodigd kunnen zijn die
belangrijker is dan jij. Dan zal de gastheer zeggen: ‘Sta eens op en geef je
stoel aan deze man.’ Dan zul je beschaamd af moeten druipen en de minst belangrijke
plaats innemen. Maar wanneer je uitgenodigd bent, moet je een onopvallende
plaats uitzoeken, zodat de gastheer, wanneer hij komt, tegen je zal zeggen:
‘Vriend, ga toch hier zitten, deze plaats is beter.’ Dan zul je geëerd worden
in het bijzijn van alle andere gasten. Maar iedereen die zichzelf verhoogt zal
vernederd worden, en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.”
(Luk.14:8-11)
“Wanneer je een feest geeft, nodig dan niet je broers,
familieleden of rijke buren uit, opdat ze jou ook zullen uitnodigen als
wederdienst. Nodig in plaats daarvan arme en invalide mensen uit en je zult
gezegend worden. Zij kunnen je niet terugbetalen, maar je zult het vergoed
krijgen bij de opstanding (uit de dood) van de rechtvaardigen.”
(Luk.14:12-14)
[Bij de offerkist, waar veel mensen grote bedragen in
gooiden, zagen ze een arme weduwe die er een paar kleine koperen muntjes in
stopte.]
“Ik zal jullie vertellen: deze arme weduwe heeft meer in de
offerkist gestopt dan al die anderen (bij elkaar). Die gaven allemaal vanuit
hun rijkdom, maar zij gaf, vanuit haar armoede, alles wat ze had om van te
leven.”
(Mrk.12:41-44; Luk.21:1-4)
“Als je bidt, doe dat dan niet zoals schijnheilige mensen,
die graag in het openbaar bidden om indruk te maken op anderen. Laat Mij je
vertellen dat zij hun loon al hebben. Maar wanneer jij bidt, ga dan naar je
kamer, doe de deur dicht en bid tot je Vader, die in het verborgene is. Dan zal
Hij, die ziet wat er in het geheim gebeurt, je belonen. En wanneer je bidt, doe
dat dan niet met een heleboel woorden en eindeloze herhalingen, sommige
religieuze mensen denken zo gehoord te worden. Zo hoef je niet te bidden, want
je Vader weet wat je nodig hebt, zelfs voordat je het hem vraagt. Als je bidt,
doe het dan op deze manier: ‘Onze Vader in de hemel. Laat Uw naam geheiligd
worden (dat mensen U zullen erkennen als enige God en ontzag voor U hebben).
Laat Uw Koninkrijk komen, Uw wil worden gedaan, op de aarde, zoals in de hemel.
Geef ons vandaag het brood dat we nodig hebben. Vergeef ons onze schulden
(zonden), zoals wij de mensen vergeven die ons iets schuldig zijn (die tegen
ons zondigen). En laat ons niet in verleiding komen (om iets verkeerds te
doen), maar verlos ons van slechtheid (ook wel vertaald als: de slechte
persoon, de boze of de duivel). Want van U is het Koninkrijk, de kracht en de
heerlijkheid, tot in eeuwigheid.’”
(Veel mensen bidden dit gebed graag letterlijk vanuit een bepaalde vertaling.
Dit gedeelte wekt echter eerder de indruk dat het om een modelgebed gaat, dat
als voorbeeld gebruikt kan worden voor een algemeen gebed. In het boek
Handelingen staan andere gebeden opgetekend die door de apostelen zijn
uitgesproken. Waar het om gaat is dat we juist niet met standaardgebeden moeten
bidden, maar vanuit een relatie met de Vader, over alledaagse dingen zoals
eten, verleidingen, onenigheden en vergeven. Jezus bad zelf tenslotte ook
gebeden die heel anders waren dan dit voorbeeldgebed.)
(Mat.6:5-13; Luk.11:2-4)
“Maar wanneer je staat te bidden en je hebt iets tegen
iemand, vergeef het hem, zodat je Vader in de hemel ook jouw zonden zal
vergeven. Als je de mensen vergeeft die jou iets aangedaan hebben, zal je
hemelse Vader jou ook vergeven.
“Maar als je anderen niet vergeeft, zal je Vader jou ook
niet vergeven.”
(Mat.6:14,15; Mrk.11:25)
“Stel je voor, iemand gaat midden in de nacht naar zijn
vriend toe en zegt: ‘Vriend, leen mij eens drie broden, want ik heb een vriend
te logeren die op doorreis is en ik heb niets om hem voor te zetten.’ En dan
hoort hij vanuit het huis: ‘Val me niet lastig, de deur is al dicht en we
liggen allemaal in bed. Ik kan niet opstaan om je iets te geven.’ Ik zal je
vertellen dat hij toch zal opstaan, niet omdat hij zijn vriend is, maar vanwege
de vasthoudendheid van de man en hij zal hem geven wat hij nodig heeft.”
(Luk.11:5-8)
“Vraag en het zal je gegeven worden. Zoek en je zult
vinden. Klop en de deur zal voor je worden opengedaan. Want iedereen die vraagt
ontvangt, wie zoekt vindt en wie klopt zal open gedaan worden. Wie van jullie
zal, als je zoon om een brood vraagt, hem een steen geven? En als hij om een
vis vraagt, zou je hem in plaats van een vis een slang geven of als hij om een
ei vraagt, hem een schorpioen geven? Zelfs al zijn jullie in wezen slecht, je
bent toch in staat om iets goeds te geven aan je kinderen. Zal je Vader in de
hemel niet nog veel beter weten hoe Hij goede dingen moet geven als Zijn
kinderen iets aan Hem vragen? Hij zal ook zeker de Heilige Geest geven aan hen
die Hem daarom vragen!”
(Mat.7:7-11; Luk.11:9-13)
“Als je vast, moet je niet somber kijken, zoals
schijnheilige mensen. Want zij vertrekken hun gezichten om anderen te laten
zien dat ze vasten. Ik zeg: zij hebben hun volledige beloning al ontvangen.
Maar wanneer jullie vasten, was dan je gezicht en doe een lekker geurtje op,
zodat het niet overduidelijk is dat je aan het vasten bent, behalve voor je
Vader, die in het verborgene is. En je Vader, die ziet wat niemand anders ziet,
zal je belonen.”
(Mat.6:16-18)
[Leerlingen van Johannes de Doper vroegen Hem waarom Zijn
leerlingen niet vastten zoals zij en de Joodse leiders.]
“Hoe kunnen gasten van de bruidegom vasten zolang de
bruidegom bij hen is? Maar er komt een tijd dat de bruidegom van hen zal worden
weggenomen en dan zullen ze vasten. Niemand naait een nieuw lapje stof op een
oude jas. Want als je dat doet, zal het nieuwe lapje er af scheuren en dan past
het niet meer (omdat het meer krimpt dan de jas). En niemand doet nieuwe wijn
in een oude wijnzak. Als je dat doet zal de oude zak kapot gaan (omdat de oude
wijnzak niet meer uitzet wanneer de wijn gaat gisten), en dan gaan zowel de
wijn als de wijnzak verloren. Nee, men doet nieuwe wijn in nieuwe wijnzakken.
(Je kunt geen oude gewoonten proberen in te passen in iets nieuws: het
Koninkrijk van God.) En niemand wil nieuwe wijn na het drinken van oude wijn,
want hij zegt: ‘Die oude smaakt best.’” (Natuurlijk, want die ben je gewend en
er zit meer alcohol in; het is moeilijk om mensen van oude gewoonten af te
krijgen.)
(Mat.9:14-17; Mrk.2:18-22; Luk.5:33-39)
“Twee mannen gingen naar de tempel om te bidden, de ene was
een godsdienstige leider en de andere een belastinginner. De leider stond op en
bad voor zichzelf: ‘God, ik dank u dat ik niet zo ben als andere mensen –
rovers, slechteriken, overspelige mensen – of zelfs zoals deze belastinginner.
Ik vast twee keer per week en geef een tiende van alles wat ik krijg.’ Maar de
belastinginner stond op een afstand; hij wilde niet eens zijn ogen opheffen
naar de hemel, maar hij sloeg zich op zijn borst en zei: ‘God, wees mij, een
zondaar, genadig.’ Ik zal je vertellen dat deze man rechtvaardig voor God naar
huis ging en die andere niet. Want een ieder die zichzelf verhoogt, zal
vernederd worden en een ieder die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.”
(Luk.18:10-14)
[In de tempel waren mensen handel aan het bedrijven op de
plaats waar de heidenen konden bidden. Jezus joeg ze daar weg, gooide hun
tafels om en smeet hun handel en geld over de grond.]
“Haal deze dingen hier weg! Hoe durven jullie Mijn Vaders
huis te veranderen in een markt? Staat er niet in de geschriften (in Jesaja
56:7): Mijn huis zal een huis van gebed voor alle volken worden genoemd? Maar
jullie hebben er een rovershol van gemaakt!” (Jeremia 7:11)
(Mat.21:12,13; Mrk.11:15-17; Luk.19:45,46; Joh.2:14-17)
“Oordeel niet over anderen, want als je dat doet, word je
zelf ook geoordeeld. Veroordeel ook niemand, dan word je zelf ook niet
veroordeeld. Vergeef, en je zult vergeven worden. Geef en je zult ook weer
terug ontvangen. Een volle maat, goed samengeperst en dan nog een schepje er
bovenop (zodat het overstroomt) zal je in de schoot gelegd worden. Schenk
aandacht aan deze woorden, want met de maat waarmee je voor andere mensen
afmeet, zal ook voor jou afgemeten worden. Je zult zelfs nog meer krijgen.
Waarom kijk je naar het splintertje in het oog van je broeder en schenk je geen
aandacht aan de balk in je eigen oog? Hoe kun je zeggen: ‘Hé broer, laat mij
eens even dat splintertje uit je oog halen’, als je dat blok hout in je eigen
oog niet ziet. Schijnheilige! Haal eerst maar eens die balk uit je eigen oog,
dan zie je misschien helder genoeg om je broeder te helpen.”
(Mat.7:1-5; Mrk.4:24; Luk.6:37,38,41,42)
“Ga door de smalle poort naar binnen. Want wijd is de poort
en breed en makkelijk begaanbaar is de weg die naar de vernieling leidt, en
daar gaan veel mensen doorheen. Maar klein is de poort en smal en moeilijk
begaanbaar is de weg die naar het leven leidt en slechts weinigen vinden die.”
(Mat.7:13,14)
“Zet alles op alles om door de kleine poort naar binnen te
gaan, want neem maar van Mij aan dat veel mensen zullen proberen om binnen te
komen, maar het zal ze niet lukken.”
(Luk.13:24)
“Niet iedereen die tegen Mij zegt: ‘Mijn Heer en Meester’,
zal het Koninkrijk van God binnengaan, maar alleen degene die de wil van Mijn
hemelse Vader doet. Op ‘die ene dag’ (van het grote oordeel,) wanneer de
Meester van het huis de deur dicht heeft gedaan, zullen er mensen buiten staan
kloppen en vragen: ‘Heer, doe open voor ons’. Veel mensen zullen bij Mij komen
en zeggen: ‘Heer, Meester, hebben wij niet geprofeteerd in Uw naam? En hebben
wij niet demonen uitgedreven en veel wonderen gedaan?’. En dan zal Ik het ze
duidelijk zeggen: ‘Ik heb jullie nooit gekend (jullie hebben nooit een echte relatie
met mij gehad) en Ik weet niet waar jullie vandaan komen.’ En dan zullen ze
zeggen: ‘Maar U hebt bij ons gegeten en in onze straten onderwezen.’ En Ik zal
antwoorden: ‘Ga bij Mij vandaan, jullie zijn slechte mensen.’”
(Mat.7:21-23; Luk.13:25-27)
“Hoe kun je Mij nou ‘Heer’ en ‘Meester’ noemen en niet doen
wat Ik zeg? Iedereen die Mijn woorden hoort en ze in praktijk brengt, is als
een wijze man, die het fundament van zijn huis op de rots bouwde. (Rots kan ook
vertaald worden met: rotsachtige bodem. Mogelijk ook: de harde laag in de grond
waarbij je eerst door de zachte grond heen moet graven of heien om er op te
kunnen bouwen. Jezus verwijst hiermee naar zichzelf en Zijn leer als iets waar
je ‘op kunt bouwen’, sterker nog: waar je op moet bouwen.) En de regen
viel, de stromen kwamen en de wind beukte tegen dat huis, maar het stortte
niet in, omdat het gefundeerd was op de rots. En iemand die Mijn woorden hoort
en ze niet in praktijk brengt, is als een dwaze man die zijn huis op zandgrond
bouwde. En de regen viel, de stromen kwamen en de wind beukte tegen dat huis,
en het stortte helemaal in elkaar.”
(Mat.7:24-27; Luk.6:46-49)
[Jezus werd gevraagd naar Zijn mening over de mensen in
Galilea (Joden) die door Pilatus in de tempel vermoord waren.]
“Denken jullie dat deze Galileërs meer gezondigd hadden dan
andere Galileërs, omdat ze zo geleden hebben? Natuurlijk niet! Maar tenzij
jullie je bekeren, zullen jullie ook allemaal omkomen. Of die achttien mensen
die omkwamen omdat de toren van Siloam op ze viel – denk je dat die mensen
schuldiger waren dan de andere mensen in Jeruzalem? Natuurlijk niet! Maar als
jullie je niet bekeren, zullen jullie ook allemaal omkomen.”
(Luk.13:1-5)
“Een man had een vijgenboom in zijn wijngaard en ging kijken
of er ook vruchten aan zaten, maar vond er geen. Dus hij zei tegen zijn
tuinman: ‘Ik heb al drie jaar tevergeefs naar vruchten aan deze boom gezocht.
Hak hem om! Hij neemt alleen maar onnodig ruimte in beslag.’ Maar de tuinman
zei: ‘Heer, laat hem nog een jaar staan. Ik zal er omheen graven en de grond
bemesten. Als er over een jaar vruchten aan zitten, dan is het goed, zo niet,
dan hakken we hem alsnog om.’” (God gaat tot het uiterste om mensen de kans te
geven zich te bekeren.)
(Luk.13:6-9)
[Joodse godsdienstige leiders maakten Jezus er op attent dat
Zijn discipelen graan plukten en aten op de rustdag, en dat mocht niet volgens
de Wet.]
“Hebben jullie niet gelezen wat David deed, toen hij en
zijn metgezellen honger kregen? Hij ging het huis van God binnen en at van het gewijde
brood (‘het brood van de aanwezigheid’) - wat volgens de wet alleen de
priesters mochten eten - en hij gaf zijn metgezellen ook wat. Of hebben jullie
niet gelezen in de Wet dat de priesters, als ze op de rustdag in de tempel
zijn, deze ontheiligen en toch onschuldig zijn? Ik zal je vertellen dat hier
iemand voor jullie staat, die beter en belangrijker is dan de tempel. Als
jullie hadden geweten wat het betekent wat er (in Hosea 6:6) staat: ‘Ik verlang
naar genade, niet naar offers’, dan zouden jullie de onschuldige niet
veroordeeld hebben. De rustdag is gemaakt voor de mens en niet de mens voor de
rustdag. De Mensenzoon is Heer en Meester over de rustdag.”
(Mat.9:13; 12:1-8; Mrk.2:23-28; Luk.6:1-5)
“Een goede boom zal goede vruchten dragen, maar als de boom verrot
is, dan zijn de vruchten dat ook, want de toestand van de boom is af te lezen
aan hoe de vruchten zijn. Stelletje slangen! Hoe kunnen slechte mensen zoals
jullie ooit iets goeds zeggen? Want waar het hart van overstroomt, spreekt de
mond.
“Een goed mens brengt goede dingen voort vanuit het goede dat
in hem zit. Een slecht mens brengt slechte dingen voort vanuit het slechte dat
in hem zit. Maar Ik zal jullie vertellen dat mensen zich zullen moeten
verantwoorden voor ieder ondoordacht woord dat zij uitgesproken hebben. Want
door jullie woorden zullen jullie worden vrijgesproken of veroordeeld.”
(Mat.12:33-37; Luk.6:43-45)
[De Joodse leiders wilden Jezus op de proef stellen en
zeiden dat ze wel eens een teken van hem zouden willen zien.]
“Als de avond valt, zeggen jullie: ‘Het zal mooi weer
worden, want de lucht is rood en er staat een zuidenwind’. En in de ochtend:
‘Vandaag wordt het stormachtig en het gaat regenen, want de lucht in het westen
is betrokken en het ziet er dreigend uit.’ Dus jullie weten hoe je aan de lucht
kunt zien wat voor weer het wordt, maar jullie kunnen de tekenen van deze tijd
niet onderscheiden. Een slechte en overspelige generatie vraagt om een
wonderbaarlijk teken! Maar ze zullen geen ander teken krijgen dan dat van de profeet
Jona. Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de vis was, zo
zal ook de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn.
De mensen van Nineve zullen samen met deze generatie bij het grote oordeel
opstaan en haar veroordelen; want zij bekeerden zich door de prediking van
Jona. En nu staat er voor jullie iemand die beter en belangrijker is dan Jona.
De ‘Koningin uit het zuiden’ zal bij het grote oordeel samen met de mensen van
deze generatie opstaan en ze veroordelen; want zij kwam van heel ver om naar de
wijsheid van Salomo te luisteren. En nu staat hier iemand die beter en
belangrijker is dan Salomo.
“Als een boze geest uit een mens weggaat, vertrekt hij naar
dorre en droge streken om rust te zoeken maar vindt die niet. Dan zegt hij: ‘ik
zal terugkeren naar het huis waar ik vandaan kom.’ Wanneer hij terugkeert, zal
hij het huis onbewoond vinden, schoongeveegd en opgeruimd. Dan gaat hij weg en
haalt nog eens zeven andere geesten op die nog slechter zijn dan hij; ze komen
binnen en gaan er wonen. De uiteindelijke toestand van de mens is nog slechter
dan voorheen. Zo zal het gaan met deze generatie. Kijk uit voor het ‘gist’ van
deze leiders (de leer van deze sluwe mensen), ze zijn schijnheilig
(hypocriet).”
(Mat.12:38-45; 16:1-4; Mrk.8:11,12; Luk.11:24-32;
12:1,54-56)
“Als iemand Mij wil volgen, moet hij zichzelf verloochenen
en dagelijks zijn kruis op zich nemen. (Als mensen met een kruis liepen, werden
ze naar de plaats van executie gebracht, dus hadden ze niets meer te
verliezen). Want wie zijn leven (of ziel) tracht te behouden, zal het
verliezen, maar wie zijn leven verliest (wil verliezen) voor Mij, zal het
vinden. Wat heeft het voor zin als een mens de hele wereld wint en dan zijn
ziel (zijn diepste wezen, zijn ware ‘ik’) verspeelt? Wat kan een mens geven in
ruil voor zijn leven? Wie zich schaamt voor Mij en Mijn woorden in deze
overspelige en zondige generatie, voor hem zal de Mensenzoon Zich ook schamen
wanneer Hij komt. Want de Mensenzoon gaat komen in de heerlijkheid van Zijn
Vader en met Zijn engelen. En dan zal Hij iedereen persoonlijk belonen voor wat
hij gedaan heeft.”
(Mat.16:24-27; Mrk.8:34-38; Luk.9:23-26)
“Zoals de Vader doden laat opstaan en ze leven geeft, zo kan
de Zoon ook leven geven aan wie Hij maar wil. Bovendien oordeelt de Vader
niemand, maar heeft het oordelen toevertrouwd aan de Zoon, zodat de Zoon door
iedereen net zoveel geëerd zal worden als de Vader. Wie de Zoon geen eer
bewijst, eert ook de Vader niet, die Hem gezonden heeft. Het is echt waar, wie
Mijn woorden hoort en Hem gelooft die Mij heeft gestuurd, heeft eeuwig leven en
zal niet veroordeeld worden; hij is overgegaan van de dood naar het leven. Echt
waar, er komt een tijd – en die is er ook nu al – dat de doden (mogelijk ook:
de mensen die geestelijk dood zijn) de stem van de Zoon van God zullen horen en
zij die er naar luisteren zullen leven. Want zoals de Vader leven heeft in
Zichzelf, zo heeft Hij de Zoon ook leven gegeven in Zichzelf. En omdat Hij ook
de Mensenzoon is, heeft Hij Hem autoriteit gegeven om te oordelen. Wees maar
niet verbaasd, want er komt een tijd dat zij die in hun graven zijn, Zijn stem
zullen horen en er uit komen. Zij die goed gedaan hebben, zullen opstaan en
leven; zij die slechte dingen gedaan hebben, zullen opstaan en veroordeeld
worden. Uit Mijzelf kan Ik niets doen; Ik oordeel zoals Ik het hoor, en Mijn
oordeel is rechtvaardig, want Ik probeer niet Mijn eigen wil te doen, maar de
wil van Hem die Mij heeft gestuurd.”
(Joh.5:21-30)
[Toen Jezus met zijn leerlingen het tempelcomplex uitliep,
maakten zijn leerlingen hem attent op de mooie gebouwen.]
“Zie je deze dingen? Luister, er zal hier geen steen op de
andere blijven, alles zal neergehaald worden.”
[Terwijl ze samen op de Olijfberg zaten, vroegen zijn leerlingen
wanneer dit zou gaan gebeuren, waaraan ze zouden kunnen herkennen wanneer Hij
terug zou komen, en wanneer het einde van de tijd zou zijn.]
“Kijk uit dat niemand jullie misleidt. Want velen zullen
zeggen dat ze komen in Mijn naam, en beweren dat ze de Gezalfde zijn. En ze
zullen velen misleiden. Je zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen,
maar pas op dat je niet in paniek raakt; wees niet bang. Zulke dingen moeten
eerst gebeuren, maar dat is nog niet het einde. Volk zal opstaan tegen volk en
koninkrijk tegen koninkrijk. Er zullen op verschillende plaatsen hongersnoden
en grote aardbevingen zijn, besmettelijke ziekten en tekenen aan de hemel. Al
die dingen zijn het begin van de weeën.”
(Mat.24:1-8; Mrk.13:1-8; Luk.21:6,9-11)
“In die tijd zullen velen zich van het geloof afkeren en
elkaar verraden en haten. Broer zal tegen broer opstaan en een vader tegen zijn
kind; kinderen zullen in opstand komen tegen hun ouders en ze ter dood laten
brengen.
Omdat mensen steeds slechter worden, zal de liefde van de
meeste mensen verkillen, mensen zullen jullie haten om Mij, maar wie stand
houdt tot het einde, zal gered worden.
Jullie zullen worden verraden door ouders, broers,
familieleden en vrienden. Jullie zullen worden uitgeleverd aan de autoriteiten
en vervolgd worden, en sommigen van jullie zullen ter dood worden gebracht.
Jullie zullen voor presidenten en koningen komen te staan. Dat zal voor jullie
een gelegenheid zijn om te getuigen. Maar wees vast besloten om je niet druk te
maken over hoe je jezelf zult verdedigen, want Ik zal je woorden en wijsheid
geven die geen van jullie tegenstanders zal kunnen weerleggen. Alle mensen
zullen een hekel aan jullie hebben vanwege Mij, maar hij die standhoudt tot aan
het einde, zal gered worden.”
(Mat.10:21,22; 24:9,10,12,13; Mrk.13:12,13; Luk.21:12-19)
“Kijk uit voor valse profeten. Ze komen vermomd als schapen,
maar eigenlijk zijn het verscheurende wolven. Je kunt ze herkennen aan hun
vruchten. Zoals je van een doornstruik geen druiven kunt plukken en van een
distel geen vijgen. Een gezonde boom heeft goede vruchten en kan geen slechte
vruchten dragen. Een zieke boom heeft slechte vruchten en kan geen goede
vruchten dragen. Een boom die ziek is wordt omgezaagd en versnipperd. Dus let
op hun vruchten, daaraan kun je ze herkennen.”
(Mat.7:15-20)
“Het goede nieuws van het Koninkrijk zal over de hele wereld
verkondigd worden, als een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde
komen.”
(Mat.24:14; Mrk.13:10)
“Als jullie de afschuwelijke ontheiliging, waar Daniël over
sprak (9:27; 11:31; 12:11), zien staan op de heilige plaats – de lezer moet dit
goed begrijpen – dan moeten zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen. Dan
moet iemand die op het (platte) dak van zijn huis is, niet naar beneden gaan om
nog wat dingen uit het huis mee te nemen. Als iemand op het land is, moet hij
niet terug gaan om nog even een jas te halen. Hoe vreselijk zal het in die
dagen zijn voor zwangere vrouwen en moeders met baby’s. Bid dat je niet zal
hoeven vluchten in de winter of op een rustdag. Er zal grote ellende in dit
land zijn, zoals er nog nooit geweest is en ook nooit meer zal zijn. Er zal een
groot oordeel komen over dit volk. Zij zullen vallen door het zwaard en als
gevangenen weggevoerd worden naar alle volken. Jeruzalem zal worden vertrapt
door heidenen totdat de tijd van de heidenen vervuld (voorbij) is, totdat alles
wat geschreven is (door de profeten) vervuld is. Als de Heer die tijd niet zou
inkorten, zou niemand het overleven, maar ter wille van hen die God heeft uitgekozen,
zal die tijd worden ingekort.”
(Mat.24:15-22; Mrk.13:14-20; Luk.17:31; 21:20-24)
“Er zullen vele valse profeten verschijnen die veel mensen
misleiden. Ze zullen beweren dat ze Mij zijn en zeggen: ‘Ik ben het’ en ‘De
tijd is nabij…’. Volg ze niet. Als iemand in die tijd tegen je zegt: ‘Kijk hier
is de Gezalfde!’ of: ‘Hij is daar!’, geloof het niet. Er zullen valse ‘gezalfden’
en valse profeten opstaan die grote wonderen en tekenen verrichten om, als dat
mogelijk zou zijn, zelfs de mensen die bij God horen te misleiden. Wees dan op
je hoede, want Ik heb het jullie van tevoren gezegd. Dus als iemand tegen je
zegt: ‘Hij is daar, in de woestijn’, ga er niet naartoe. Of iemand zegt: ‘Hij
is hier, in een verborgen ruimte’, geloof het niet. Want zoals de bliksem in
het oosten zelfs in het westen zichtbaar is, zo zal het zijn als de Mensenzoon
komt. Waar een kadaver ligt, zullen gieren zich verzamelen. (Aasgieren weten
waar ze moeten zijn. Zo weten ook sluwe misleiders een dode geest te vinden die
ze kunnen verslinden.) Het Koninkrijk van God is ook niet op een plaats te
vinden, maar het is binnenin en in jullie midden.”
(Mat.24:11,23-28; Mrk.13:21-23; Luk.17:23,24,37; 21:8)
“Direct na de ellende van die tijd ‘zal de zon worden
verduisterd en de maan zal zijn licht niet geven; de sterren zullen uit de
lucht vallen en de hemellichamen (of: de machten in de hemelen) zullen worden
geschud.’ (Jesaja 13:10 en 34:4.) Op de aarde zal wanhoop zijn en er zal
verwarring zijn onder de volken vanwege het bulderen van de zee en de golven.
Mensen zullen stikken van angst en het niet meer zien zitten om wat er allemaal
gebeurt. Maar (voor jullie geldt,) wanneer deze dingen gebeuren, ga dan rechtop
staan en richt je hoofd op, want jullie redding is nabij. In die tijd zal het
teken van de Mensenzoon in de lucht verschijnen en alle volken van de aarde
zullen rouwen. Ze zullen de Mensenzoon zien komen op de wolken in de lucht, met
macht en grote heerlijkheid. En Hij zal Zijn engelen sturen met luid
trompetgeschal en zij zullen de mensen die bij God horen verzamelen vanuit de
vier windstreken, van het ene eind van de hemel naar het andere eind (van de
einden van de aarde tot de einden van de hemel; van horizon tot horizon). Leer
deze les van de vijgenboom, eigenlijk alle bomen: wanneer de takjes zacht
worden en de blaadjes zichtbaar worden, weet je dat de zomer in aantocht is. Zo
ook wanneer je al deze dingen ziet, zul je weten dat het niet lang meer zal
duren voordat Hij komt, en het Koninkrijk van God nabij is (en dat het bevestigd
wordt). Luister goed: deze generatie (dit ras, het Joodse volk) zal niet
voorbijgaan (verdwijnen) totdat al deze dingen zijn gebeurd. Hemel en aarde
zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen nooit voorbijgaan.”
(Mat.24:29-35; Mrk.13:24-31; Luk.21:25-33)
“Niemand weet van die dag of dat uur, zelfs niet de engelen
in de hemel, noch de Zoon, maar alleen de Vader. Zoals het was in de dagen van
Noach, zo zal het ook zijn als de Mensenzoon komt. Want in de dagen voor de
overstroming, aten en dronken de mensen gewoon door, ze trouwden en gaven ten
huwelijk, tot op de dag dat Noach de Ark in ging. En ze wisten niet wat er zou
gebeuren totdat de overstroming kwam en hen allemaal wegvaagde. Zo zal het zijn
wanneer de Mensenzoon terug komt. Twee mannen zullen op het land zijn; één zal
worden meegenomen en de ander achtergelaten. Twee vrouwen zullen bezig zijn
koren te malen, de één zal worden meegenomen en de ander achtergelaten. In die
nacht zullen twee mensen in bed liggen; de één zal worden meegenomen en de ander
achtergelaten.”
(Mat.24:36-41; Mrk.13:32; Luk.17:25-27,34,35)
“Het was ook zo in de dagen van Lot. Mensen waren aan het
eten, drinken, kopen, verkopen, planten en bouwen. Maar op de dag dat Lot Sodom
verliet, regende het vuur en zwavel uit de hemel, waardoor ze allemaal
vernietigd werden. Zo zal het zijn als de Mensenzoon geopenbaard zal worden.
Zorg ervoor dat je altijd klaarstaat om te dienen en houd je lamp brandend.
Zoals mannen die wachten op de komst van hun heer, die naar een bruiloft geweest
is, zodat ze de deur open kunnen doen, zodra hij aanklopt. Het zou goed zijn
voor die mannen (ze zijn gezegend) als hun heer merkt dat ze op hem gewacht
hebben, zelfs al komt hij ergens in de kleine uurtjes terug. Ik zal je
vertellen: hij zal zelf een dienstuniform aandoen en hen dienen.”
(Luk.12:35-38; 17:28-30)
“Blijf daarom op je hoede en laat je niet terneerdrukken
door de zorgen of de lusten van dit leven, want je weet niet op welke dag je
Heer terugkomt. Die dag komt als een val, plotseling overvalt het de mensen die
op aarde leven. Maar begrijp dit goed: als de eigenaar van het huis had geweten
op welk tijdstip van de nacht de dief zou komen, dan zou hij de wacht gehouden
hebben en zou niet hebben toegestaan dat er in zijn huis ingebroken werd. Zo moeten
jullie ook klaar zijn, want de Mensenzoon zal komen op een tijdstip dat je het
niet verwacht. Dus wie is de trouwe en wijze dienaar, die de meester heeft
aangesteld over de andere dienaren in zijn huishouding, om ze op tijd van eten
en zakgeld te voorzien? Het zal er goed uitzien voor die dienaar als zijn
meester hem, wanneer hij terugkeert, aan het werk vindt. Ik zal je zeggen: hij
zal hem aanstellen over al zijn bezittingen. Maar stel dat die dienaar slecht
is en tegen zichzelf zegt: ‘Mijn meester blijft langer weg dan verwacht’, en
hij begint zijn mededienaren en dienstmeisjes te slaan en hij gaat aan de zwier
met dronkaards. De meester van die dienaar zal terugkomen op een dag dat hij
het niet verwacht en op een tijdstip dat hij het niet door heeft. Hij zal hem
zwaar straffen en een plaats geven bij de ongelovige huichelaars, waar gejammer
en tandengeknars zal zijn.”
(Mat.24:42-51; Luk.12:39,40,42-46; 21:34,35)
“De dienaar die weet wat zijn heer wil, en toch niet
klaarstaat om te gehoorzamen, zal zeer zwaar gestraft worden. Maar een dienaar
die niet weet dat de dingen die hij doet verkeerd zijn, zal een lichte straf
krijgen. Dus blijf op je hoede, want je weet niet wanneer je Meester terug
komt; in de avond, midden in de nacht of vroeg in de morgen. Als Hij plotseling
komt, laat hem jou dan niet slapend aantreffen. Wat Ik tegen jullie zeg, zeg Ik
tegen iedereen: blijf op de uitkijk! Bid dat je aan de vreselijke dingen die
gaan gebeuren zult mogen ontsnappen, en dat je zonder schaamte voor de Mensenzoon
kunt staan. Blijf wakker en bid dat je sterk genoeg zult zijn om te ontsnappen
aan alle dingen die gaan gebeuren. Bid dat je niet in verleiding komt en dat je
(onberispelijk) voor de Mensenzoon kunt staan. De geest wil wel, maar het
lichaam is zwak.”
(Mrk.13:33,35,37; Mrk.14:38; Luk.21:36; Opb.16:5)
“In die tijd zal het Koninkrijk van God zijn als tien
meisjes die hun olielampjes namen en op pad gingen om de bruidegom te
ontmoeten. (Die zou ze komen ophalen voor het bruiloftsfeest. Daarvoor moesten
ze op een afgesproken plaats klaarstaan.) Vijf van hen waren dom en de andere
vijf waren wijs. De domme meisjes hadden wel hun lampen meegenomen maar geen
extra olie. De wijze meisjes hadden echter wel kruikjes met extra olie
meegenomen. Het duurde erg lang voordat de bruidegom kwam en ze werden allemaal
zo soezerig dat ze in slaap vielen. Rond middernacht kwam de oproep: ‘De
bruidegom is er! Kom tevoorschijn om hem te ontmoeten!’ Toen werden alle
meisjes wakker en werkten de lonten van hun lampjes bij. De domme meisjes
zeiden tegen de wijze: ‘Geef ons wat van jullie olie; onze lampen gaan uit’.
‘Nee,’ zeiden de anderen, ‘dan is er misschien niet genoeg voor ons allemaal.
Ga maar naar de olieverkopers en koop wat voor jezelf.’ Maar terwijl zij weg
waren om olie te kopen, kwam de bruidegom eraan. De meisjes die er klaar voor
waren gingen met hem mee naar het bruiloftsfeest. En de deur werd achter hen
gesloten. Later kwamen de andere meisjes ook. ‘Meneer! Meneer!’ zeiden ze.
‘Open de deur voor ons!’ Maar hij zei: ‘Luister eens even, ik ken jullie
helemaal niet (Jullie hebben nooit de moeite genomen om Mij beter te leren
kennen)’. Daarom moet je op je hoede blijven, want je weet noch de dag, noch
het uur.”
(Mat.25:1-13)
“Het zal ook zijn als een man die op reis ging en zijn
dienaren bij zich riep om hen zijn bezittingen toe te vertrouwen. Aan de één
gaf hij vijf talenten (ongeveer 5000 Euro), aan een ander twee talenten en weer
een ander één talent, elk naar zijn vermogen. Toen ging hij op reis. De man die
de vijf talenten had ontvangen, ging er gelijk mee aan het werk en verdiende er
nog eens vijf bij. Zo ook de tweede man met de twee talenten; hij verdiende er
twee bij. Maar de man die het ene talent had ontvangen groef een gat in de
grond en verstopte daar het geld van zijn meester. Na een lange tijd kwam de
meester terug en ging met ze om de tafel zitten om de boeken op te maken. De
man die de vijf talenten had ontvangen bracht ook de andere vijf mee.
‘Meester,’ zei hij, ‘u hebt mij vijf talenten toevertrouwd, en kijk, ik heb er
vijf bijverdiend.’ Zijn meester antwoordde: ‘Goed gedaan, je bent een goede en
trouwe dienaar! Je bent trouw geweest met een klein beetje; ik zal je de
leiding geven over veel. Kom en deel in de blijdschap van je meester!’ De man
met de twee talenten kwam ook. ‘Meester,’ zei hij, ‘u hebt mij twee talenten
toevertrouwd, en kijk, ik heb er twee bijverdiend.’ Zijn meester antwoordde:
‘Goed gedaan, je bent een goede en trouwe dienaar! Je bent trouw geweest met
een klein beetje; ik zal je de leiding geven over veel. Kom en deel in de
blijdschap van je meester!’ Toen kwam de man die het ene talent had gekregen.
‘Meester,’ zei hij, ‘ik wist dat u een hard mens bent, u oogst waar u niet
gezaaid hebt en u verzamelt waar u geen zaad verspreid hebt. Dus was ik bang en
heb uw talent verstopt in de grond, hier hebt u terug wat van u is.’ Zijn
meester antwoordde: ‘Jij slechte, luie dienaar! Als je wist dat ik oogst waar
ik niet gezaaid heb en verzamel waar ik geen zaad verspreid heb, had je op z’n
minst mijn geld op de bank kunnen zetten, dan had ik het bij mijn terugkomst
nog met rente kunnen terugvorderen. Neem het talent van hem af en geef het aan
hem die de tien talenten heeft. Want een ieder die (zijn talenten gebruikt)
heeft, zal meer gegeven worden en hij zal overvloed hebben. Maar wie niets
heeft (uitgevoerd); zelfs wat hij heeft zal hem nog afgenomen worden. En gooi
die waardeloze dienaar maar naar buiten, de duisternis in, waar gejammer en
tandengeknars is.”
(Mat.25:14-30)
(Lukas vertelt een verhaal met dezelfde strekking, maar
vanuit een iets andere invalshoek.)
[Omdat Jezus richting Jeruzalem ging, veronderstelden veel
mensen dat het Koninkrijk van God nu wel snel zou komen. (De heerschappij van
de Messias, waarbij ze verwachtten dat Israël spectaculair verlost zou worden
van de onderdrukking van de Romeinen.) Jezus vertelde het volgende verhaal om
te laten zien dat het langer zou duren.]
“Een man van adel ging naar een ver land om een koninkrijk
in bezit te nemen en daarna terug te keren. (Als iemand in die tijd gekozen was
tot heerser over een gebied, moest hij naar Rome om de bevestiging van de
keizer in ontvangst te nemen.) Hij riep tien van zijn dienaren bij zich en gaf
ze 10 mina’s (een relatief klein bedrag, vergeleken met het verhaal in Mattheus.
Eén talent was 60 mina’s.) en zei: ‘Ga hiermee aan de slag totdat ik terug
kom.’ Maar zijn onderdanen hadden een hekel aan hem en zonden een delegatie
achter hem aan met de boodschap (voor de keizer): ‘Wij willen niet dat deze man
over ons regeert.’ Toen hij teruggekeerd was, nadat hij het koninkrijk in
ontvangst had genomen, riep hij de dienaren die het geld hadden gekregen bij
zich. Hij wilde weten of ze ook winst hadden gemaakt. De eerste kwam bij hem en
zei: ‘Heer, werken met uw mina heeft mij 10 mina’s extra opgeleverd.’ De heer
zei: ‘Goed gedaan, je bent een goede dienaar. En omdat je trouw bent geweest in
het omgaan met een klein beetje, zal ik je aanstellen over 10 steden. De tweede
kwam en zei: ‘Heer, ik heb met uw mina 5 mina’s bijverdiend.’ En de heer zei:
‘Dan stel ik jou aan over 5 steden.’ Toen kwam er een ander die zei: ‘Heer,
hier hebt u uw mina terug, ik heb hem bewaard in een zakdoek want ik was bang
voor u, omdat u een wrede man bent. U neemt mee wat niet van u is en oogst wat
u niet gezaaid hebt.’ Tegen deze man zei de heer: ‘Ik veroordeel jou met je
eigen woorden, jij slechte dienaar! Dus jij denkt dat ik een wrede man ben? Dat
ik meeneem wat niet van mij is en oogst wat ik niet gezaaid heb? Waarom heb je
het geld dan niet op de bank gezet, zodat ik het had kunnen innen met rente?’
Tegen hen die bij hem stonden zei hij: ‘Neem hem zijn mina af en geef het aan
de man die er tien heeft!’ ‘Maar heer,’ zeiden ze, ‘Hij heeft er al tien!’ ‘Ik
zeg je, aan een ieder die heeft (die de moeite heeft genomen om wat te doen met
dingen die hem zijn toevertrouwd) zal meer gegeven worden, maar wie niets heeft
(uitgevoerd) zal zelfs wat hij heeft nog afgenomen worden. En wat mijn vijanden
betreft, die niet wilden dat ik over hen zou regeren, breng ze hier en
executeer ze voor mijn ogen.’
(Luk.19:11-27)
“Wanneer de Mensenzoon komt in Zijn heerlijkheid, en alle
engelen met hem, zal hij in hemelse heerlijkheid op Zijn troon zitten. Alle
volken zullen voor Hem verzameld worden. En Hij zal de mensen van elkaar
scheiden, zoals een herder de schapen van de geiten scheidt. Hij zal de schapen
aan Zijn rechterkant zetten en de geiten aan Zijn linkerkant. Dan zal de Koning
tegen hen die aan de rechterkant staan zeggen: ‘Kom, jullie die gezegend zijn
door Mijn Vader, neem jullie erfenis in bezit. Het Koninkrijk dat voor jullie
is klaargemaakt sinds de schepping van de wereld. Want Ik was hongerig en
jullie hebben Mij te eten gegeven. Ik was een vreemdeling en jullie hebben Mij
uitgenodigd. Ik had kleren nodig en jullie hebben Mij gekleed. Ik was ziek en
je hebt voor Mij gezorgd. Ik zat in de gevangenis en jullie hebben Mij
opgezocht.’ Dan zullen de rechtvaardigen zeggen: ‘Maar Heer, wanneer hebben wij
U hongerig gezien en U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven?
Wanneer zagen wij U als een vreemdeling en hebben wij U uitgenodigd, of had U
kleren nodig en hebben wij u gekleed? Wanneer hebben wij U ziek of in de
gevangenis gezien en hebben wij U opgezocht?’ Dan zal de Koning zeggen:
‘Luister goed: wat je ook gedaan hebt voor de minste van Mijn broeders hier,
heb je voor Mij gedaan.’ Dan zal Hij tegen hen die aan zijn linkerkant staan
zeggen: ‘Ga uit Mijn ogen, jullie die vervloekt zijn, in het eeuwige vuur dat
klaargemaakt is voor de aanklager (de verstrooier, de duivel) en zijn engelen.
Want Ik was hongerig en jullie hebben Mij geen eten gegeven. Ik was dorstig en
jullie hebben Mij geen drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en jullie hebben
Mij niet uitgenodigd. Ik had kleren nodig en jullie hebben Mij niet gekleed. Ik
was ziek en zat in de gevangenis en jullie hebben niet voor Mij gezorgd.’ Dan
zullen zij ook zeggen: ‘Maar Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of
dorstig, of als vreemdeling of als iemand die kleren nodig had, of ziek of in
de gevangenis, en hebben wij U niet geholpen?’ Hij zal zeggen: ‘Moet je
luisteren: wat je allemaal niet gedaan hebt voor één van de minste van deze
mensen, heb je ook niet voor Mij gedaan.’ Dan zullen zij (die slechte mensen)
weggaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.”
(Mat.25:31-46)
“Degene die Mijn woorden hoort en zich er niet aan houdt zal
Ik niet oordelen, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om
haar te redden. Er is een rechter voor degene die Mij afwijst en Mijn woorden
niet aanneemt; de woorden die Ik gesproken heb zullen hem oordelen op de
laatste dag. Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij
heeft gestuurd, heeft Mij verteld wat Ik moet zeggen en hoe Ik het moet zeggen.
Ik weet dat Zijn opdracht (voorschrift) eeuwig leven is (tot eeuwig leven
leidt). Dus wat Ik zeg, geef ik precies door zoals de Vader het Mij verteld
heeft.”
(Joh.12:47-50)
“Het is tijd, bekeer je en geloof het goede nieuws, want het
Koninkrijk van God is dichtbij.”
(Mat.4:17; Mrk.1:15)
[Om te laten zien dat het Koninkrijk van God dichtbij was
genas Jezus veel zieken, wekte Hij doden op en dreef demonen uit.]
(Mat.4:23; 9:35; 11:5; Luk.7:22; 9:6,11; Hnd.10:36-38)
[Iemand vroeg om genezing van een huidziekte: “Heer, Als u
wilt kunt u mij genezen”. Jezus strekte Zijn hand uit en raakte hem aan, wat
eigenlijk niet mocht want hij was ‘onrein’.]
“Ik wil het, wordt gereinigd!”
[En Hij werd onmiddellijk genezen.]
“Ga het niet rondbazuinen, maar toon jezelf aan de priester
en breng het verplichte offer (wat gebracht moest worden als je genezen was van
een huidziekte) zoals Mozes bevolen heeft. Dit is een bewijs voor hen.”
(Mat.8:2-4; Mrk.1:40-44; Luk.5:12-14)
[Tegen een centurion (een Romeinse overste over honderd man)
die een ernstig zieke bediende thuis had:]
“Ik zal komen en hem genezen.”
[De man zei: “Heer, ik ben het niet waard dat u bij mij
thuis komt. U hoeft echter slechts één woord te spreken (het bevel te geven) en
mijn knecht zal genezen. Ik weet hoe het werkt, want ik sta zelf ook onder
gezag; ik moet luisteren naar mijn meerdere en mijn bedienden doen wat ik zeg.”
(Lukas vertelt dat de centurion dit door een bediende aan Jezus laat
overbrengen.)]
“Werkelijk, zo’n groot geloof ben Ik nog nergens tegen
gekomen! Zelfs niet hier in Israël. Ga! Het zal gebeuren zoals je hebt
geloofd.”
[En de bediende was vanaf dat moment genezen.]
(Mat.8:5-10,13; Luk.7:6-10)
[Tegen een verlamde die bij hem gebracht werd:]
“Heb goede moed, je zonden zijn je vergeven.”
[De Joodse leiders werden boos; dat was godslastering, want
alleen God kan zonden vergeven!]
“Waarom denken jullie die dingen? Waarom zijn jullie zo vol
slechte gedachten? Wat is makkelijker om te zeggen: ‘Je zonden zijn je
vergeven’ of ‘Sta op, pak je matras op en loop?’ Maar Ik zal je laten zien dat
Ik, de Mensenzoon, op aarde autoriteit heb om zonden te vergeven.”
[Tegen de verlamde:]
“Ik zeg je: sta op, pak je matras op en ga naar huis.”
[Dat deed hij en iedereen was zeer verbaasd.]
(Mat.9:2-7; Mrk.2:3-12; Luk.5:18-26)
[Jezus was bewogen om zoveel moedeloze en afgematte mensen.]
“Je zou kunnen zeggen: ‘het duurt nog 4 maanden tot de
oogst’, maar open je (geestelijke) ogen en kijk naar de velden, het koren is
klaar om geoogst te worden. Degene die oogst ontvangt nu al zijn loon en
verzamelt de vruchten voor het eeuwige leven, zodat hij die gezaaid heeft en
hij die oogst zich samen kunnen verheugen (over de mensen die nu al tot
bekering komen.) Hier is het gezegde van toepassing: ‘De één zaait en de ander
oogst.’ Ik zend jullie om te oogsten wat jullie niet gezaaid hebben. Anderen
hebben werk verricht waar jullie nu mee kunnen doorgaan. De oogst is heel
groot, maar er zijn weinig arbeiders. Vraag daarom aan de Heer van de oogst om
arbeiders naar het veld te sturen.”
(Mat.9:36-38; Luk.10:2; Joh.4:35-38)
[Jezus stuurde 72 volgelingen eropuit om twee aan twee voor
Hem uit te gaan naar de steden en dorpen en gaf ze instructies mee. (Deze
woorden vallen dus niet onder ‘de leer van Jezus’, maar geven wel interessante
inzichten.)]
“Ga! Ik stuur jullie eropuit als lammetjes onder wolven.
Neem geen geld, rugzak of sandalen mee, en groet niemand onderweg. Wees zo slim
als slangen en zo onschuldig als duiven. Vertel iedereen dat het Koninkrijk van
God dichtbij is. Waar jullie welkom zijn, moeten jullie de zieken genezen, de
doden opwekken en demonen uitdrijven. Je hebt het gratis ontvangen, geef het
ook gratis weg. Als je een huis binnenkomt, breng er dan een vredesgroet, en
als je daar waardig ontvangen wordt en er een vredelievend mens woont, laat je
vrede er dan rusten; zo niet, dan zal je vrede weer bij je terugkeren. (Deze
Joodse zegswijze zou ook zo vertaald kunnen worden: Bied vrede aan als een
geschenk; en als ze het niet willen ontvangen, neem je het gewoon weer mee.) Als
je ergens blijft, eet en drink wat ze je voorzetten, want een arbeider verdient
zijn loon. En ga niet steeds naar een ander huis. Er zullen ook plaatsen zijn
waar jullie niet welkom zijn. Schud dan het stof van je voeten wanneer je dat
huis of dat dorp verlaat. Maar wees hier zeker van en vertel het ze toch: het
Koninkrijk van God is dichtbij! Wie naar jullie luistert, luistert naar Mij.
Wie jullie afwijst, wijst Mij af; en wie Mij afwijst, wijst Hem af die Mij
gezonden heeft.
O, wat erg voor jullie, Chorazin en Bethsaida! Als de
wonderen die in jullie gedaan zijn, vroeger ook in Tyrus en Sidon waren gedaan,
zouden zij boete gedaan hebben, in zak en as. Maar luister, het zal voor Tyrus
en Sidon op de dag van het oordeel draaglijker zijn dan voor jullie. En
Capernaum, zul jij verhoogd worden? Nee, je zult vergaan in de diepte! Als de
wonderen die in jou gedaan zijn, ook in Sodom waren gedaan, zou het vandaag nog
bestaan. Maar luister, het zal op de dag van het oordeel draaglijker zijn voor
Sodom dan voor jou.”
(Mat.10:5-16; 11:21-24; Mrk.6:7-13; Luk.9:1-6; 10:3-16)
[Toen de 72 volgelingen terug kwamen van hun tocht, waren ze
helemaal blij en zeiden: “Heer, zelfs de boze geesten onderwerpen zich aan ons,
in Uw naam.” Maar Jezus zei:]
“Ik zag satan (de aanklager) uit de hemel vallen als een
bliksemflits. Ik heb jullie autoriteit gegeven om op slangen en schorpioenen te
trappen en de macht van de vijand te overwinnen; niets zal jullie kwetsen.
Echter, jullie moeten niet blij zijn omdat de demonen (of geesten) zich aan
jullie onderwerpen, maar wees blij dat jullie namen zijn opgetekend in de
hemel.”
(Luk.10:17-20)
“Ik prijs U Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U deze
dingen verborgen hebt voor (eigen)wijze en geleerde mensen. En dat U het aan
kleine kinderen hebt geopenbaard. Ja Vader, zo hebt U het in Uw genade gewild.
Alle dingen zijn aan Mij overgedragen door mijn Vader. Niemand weet wie de Zoon
is, behalve de Vader en niemand weet wie de Vader is, behalve de Zoon en hen
aan wie de Zoon Hem wil openbaren.”
(Mat.11:25-27; Luk.10:21,22)
[Tegen een blinde die vroeg om genezing:]
“Geloof je dat Ik jou kan genezen?”
[“Ja, Heer.”]
“Zoals je gelooft, zal het gebeuren.”
(Mat.9:27-29)
[Bij een andere blinde man, die blind was vanaf zijn geboorte,
vroegen de leerlingen of hijzelf of zijn ouders gezondigd hadden, waardoor hij
blind geboren was.]
“Geen van beide hebben gezondigd; dit is gebeurd zodat het
werk van God getoond zou worden in zijn leven. Zolang het dag is moeten we het
werk doen van Hem die Mij gezonden heeft. De nacht komt, en dan kan niemand
meer werken. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.”
[Hij genas de blinde man. De Joodse religieuze leiders
maakten er nogal een probleem van en ondervroegen de man, maar deze verdedigde
Jezus en de leiders gooiden de man de straat op. Jezus ging hem opzoeken:]
“Geloof je in de Mensenzoon?”
[“Vertel mij wie het is en ik zal in hem geloven.”]
“Je hebt Hem gezien; sterker nog, Hij spreekt nu met je.”
[“Heer, ik geloof”]
“Ik ben gekomen om recht te spreken; (om dingen op de juiste
manier te beoordelen;) zodat de blinden zullen zien en zij die zien, blind
zullen worden.” (Hier vergelijkt Jezus de blindheid van de man met de
geestelijke blindheid van de leiders.)
[De leiders vroegen: “Wat? Zijn wij soms ook blind?”]
“Als jullie blind zouden zijn, zouden jullie niet schuldig
zijn, maar nu jullie beweren dat jullie kunnen zien, blijven jullie schuldig.”
(Joh.9:1-41)
[Op de rustdag ging Hij naar een synagoge waar een man was
met een verschrompelde hand. De leiders vroegen of het wel geoorloofd was om op
de rustdag iemand te genezen.]
“Is het wettig om op de rustdag goed of kwaad te doen, een
leven te redden of te doden? (Niet goed doen terwijl je daar wel de kans
voor hebt, staat gelijk aan kwaad doen; en een leven niet redden
als je dat wel zou kunnen, staat gelijk aan doden.) Als iemand van jullie een
schaap of een os heeft die op de rustdag in een put valt, zul je hem er dan
niet dadelijk uit halen? Een mens is toch veel meer waard dan een schaap!
Daarom is het geoorloofd om goed te doen op de rustdag.”
[Tegen de man:]
“Strek je hand uit.”
[Hij deed het en werd genezen.]
(Mat.12:9-13; Mrk.3:1-5; Luk.6:6-10; 14:1-5)
[Zo was er ook eens een vrouw die al achttien jaar kreupel
was door een geest. Ze was krom en kon niet meer rechtop komen. Jezus zei:]
“Vrouw, je bent vrij van je ziekte.”
[Hij legde Zijn handen op haar en ze ging direct rechtop
staan en begon God te prijzen. Maar de leider van de synagoge vond dat er zes
dagen waren om te werken, dus die vrouw moest maar op één van die dagen komen
om genezen te worden, niet op de rustdag...]
“Stelletje huichelaars. Op de rustdag maakt toch ook
iedereen zijn beesten los en leidt ze naar buiten om ze te drinken te geven?
Zou dan niet deze vrouw, een dochter van Abraham, die door satan (de aanklager)
achttien jaar lang (vast)gebonden is geweest, op de rustdag vrijgemaakt mogen
worden van deze gebondenheid?”
(Luk.13:11-16)
“Mijn Vader heeft tot nu toe altijd gewerkt, dus werk Ik
ook.”
[De Joodse leiders waren woedend omdat Hij God Zijn Vader
noemde en Zichzelf aan God gelijk stelde.]
“Luister naar Mij, de Zoon kan niets doen uit Zichzelf; hij
kan alleen doen wat hij de Vader ziet doen, want wat de Vader doet, doet de
Zoon ook. De Vader houdt van de Zoon en laat Hem alles zien wat Hij doet. Ja,
Hij zal jullie verbazen en nog grotere dingen laten zien dan deze (wonderen die
Ik doe).”
(Joh.5:17-20)
“Mijn onderwijs is niet van Mijzelf. Het komt van Hem die
Mij gezonden heeft. Als iemand ervoor kiest om Gods wil te doen, zal hij
ontdekken of Ik namens God spreek, of namens Mijzelf. Hij die voor zichzelf
spreekt, doet dat om aanzien voor zichzelf te verwerven, maar hij die werkt
voor de eer van degene die hem gezonden heeft, is een man waar je op kunt
vertrouwen; er is geen bedrog in hem… Ik deed een wonder en jullie zijn
allemaal verbaasd. Mozes gaf jullie de besnijdenis – eigenlijk kwam die niet
van Mozes maar van de voorvaderen – en om de wet van Mozes niet te breken
besnijden jullie een kind ook op de rustdag. Waarom zijn jullie dan boos
wanneer Ik een mens helemaal gezond maak op de rustdag? Hou toch eens op met
het oordelen op uiterlijke dingen en oordeel op de juiste manier.”
(Joh.7:16-18,21-24)
[In een grote drukte, waar iedereen tegen Jezus opdrong,
raakte een vrouw hem aan en werd genezen van haar bloedvloeiingen.]
“Wie heeft Mij aangeraakt?”
[Natuurlijk waren de mensen verbaasd, want er waren zoveel
mensen die hem aanraakten.]
“Iemand heeft Mij aangeraakt want Ik ervoer dat er kracht van
Mij uitging.”
[De vrouw viel bevend aan zijn voeten en vertelde dat ze Hem
aangeraakt had omdat ze geloofde dat ze daardoor genezen zou worden.]
“Dochter, heb goede moed, je geloof heeft je genezen. Ga in
vrede en wees genezen van je ziekte.”
(Mat.9:20-22; Mrk.5:25-34; Luk.8:43-48)
[Tegen een man wiens dochtertje net overleden was:]
“Wees niet bang, geloof alleen en ze zal genezen.”
[En tegen de mensen die aan het huilen waren bij het
overleden meisje:]
“Vanwaar al die drukte en dat gejammer? Huil niet, want het
kind is niet dood, maar ze slaapt.”
[Ze lachten Hem uit en Hij stuurde ze weg; hij nam het kind
bij de hand en zei:]
“Meisje, Ik zeg tegen je: sta op!”
[En ze stond op. Hij zei dat ze haar wat te eten moesten
geven.]
(Mat.9:23-25; Mrk.5:35-43; Luk.8:41,42,49-55)
[Toen de leerlingen een door demonen geteisterde jongen niet
konden genezen:]
“O, ongelovige en verdorven generatie, hoe lang zal Ik nog
bij jullie blijven, hoe lang houd Ik het nog bij jullie uit? Breng die jongen
hier! Hoe lang is hij al zo?”
[De vader: “Sinds zijn geboorte… als u iets kunt doen, heb
dan medelijden met ons…”]
“Als u kunt? Alles is mogelijk voor degene die gelooft.”
[Tegen de geest:]
“Jij dove en stomme geest, Ik gebied je om uit hem te komen
en nooit meer naar hem terug te keren!”
[En de jongen werd genezen. De leerlingen vroegen waarom zij
het niet konden.]
“Omdat jullie zo weinig geloof hebben. Luister goed: al is
je geloof maar zo klein als een mosterdzaadje, dan kun je al tegen deze berg
zeggen: ‘Verplaats je van hier naar daar’ en hij zal zich verplaatsen. Of tegen
deze boom hier: ‘Kom uit de grond en plant je in de zee’ en hij zal je
gehoorzamen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn. Echter, dit soort (boze
geesten) komt er alleen maar uit door bidden en vasten.”
(Mat.17:13-20; Mrk.9:17-30; Luk.9:37-42; 17:6)
[Om te laten zien dat je altijd moet blijven bidden en niet
moet opgeven:]
“In een bepaald dorp was een rechter die geen ontzag had
voor God, noch iets gaf om mensen. En er was een weduwe in dat dorp die maar
steeds bij hem kwam met de vraag: ‘Geef mij recht tegenover mijn tegenstander.’
Een hele tijd bleef hij weigeren, maar uiteindelijk zei hij tegen zichzelf:
‘Zelfs al heb ik geen ontzag voor God en geef ik niets om mensen; omdat ze me
zo blijft lastigvallen, zal ik deze weduwe toch haar recht geven, zodat ze me
uiteindelijk niet helemaal gek maakt door steeds weer te komen!’ Luister naar
wat die onrechtvaardige rechter zegt. Zal God dan niet recht verschaffen voor
Zijn uitverkorenen, die Hem dag en nacht aanroepen? Zal Hij ze blijven
afwijzen? Neem maar van Mij aan dat Hij hen recht zal verschaffen; en snel ook.
Echter, wanneer de Mensenzoon komt, zal Hij dan geloof vinden op aarde? (Zal
Hij iemand kunnen vinden die net zo volhardend is als die vrouw?)”
(Luk.18:1-8)
[Een blinde man riep naar Hem en ondanks bestraffingen van
de omstanders, bleef hij roepen.]
“Breng hem hier... Wat wil je dat Ik voor je doe?”
[“Meester, ik wil zien.”]
“Ga, je geloof heeft je genezen.”
[Hij was direct genezen en ging Jezus volgen.]
(Mrk.10:46-52; Luk.18:35-43)
[Toen Jezus honger had en een vijgenboom tegenkwam waar
alleen maar bladeren aan zaten:]
“Dat jij nooit meer vrucht zal dragen en nooit meer iemand
vrucht van jou zal eten!”
[De boom begon te verdorren en de leerlingen vroegen zich af
hoe dat toch kon.]
“Luister goed, dit is belangrijk: ontvang het geloof van God
(heb geloof zoals God dat heeft – hij spreekt en het gebeurt) als je geloof
hebt en niet twijfelt in je hart, dan kun je niet alleen doen wat er met de
vijgenboom gebeurde, maar je kunt ook tegen deze berg zeggen: ‘Ga, en gooi
jezelf in de zee,’ en het zal gebeuren. Als je gelooft dat wat je zegt ook zal
gebeuren, zul je krijgen waar je in gebed om vraagt.
(Mat.21:18-22; Mrk.11:12-14,19-24)
[Er was een begrafenis van de enige zoon van een weduwe.
(Door zijn overlijden was zij voor haar levensonderhoud dus aangewezen op de
genade van de religieuze leiders, die eigenlijk voor eenzame weduwen zouden
moeten zorgen, maar dat niet deden.) Jezus was diep bewogen met haar.]
“Huil niet”
[Hij liep naar de draagbaar en raakte die aan.]
“Jongeman, ik zeg tegen je: Sta op!”
[De man kwam weer tot leven en werd herenigd met zijn
moeder.]
[Tegen een man die al jaren verlamd was:]
“Wil je gezond worden? ... Sta op, pak je mat op en loop...”
[Even later:]
“Kijk, je bent nu weer gezond, maar je moet stoppen met
zondigen, anders gebeurt er misschien iets met je wat nog erger is.”
(Joh.5:5-15)
[Een vriend van Jezus, Lazarus, was overleden.]
“Onze vriend Lazarus is in slaap gevallen, maar Ik ga er
naartoe om hem wakker te maken.”
[De leerlingen zeiden: “Als hij slaapt zal hij weer beter
worden.” Maar Jezus verklaarde zich nader:]
“Lazarus is dood en Ik ben blij voor jullie dat Ik er niet
bij was, want nu kunnen jullie (gaan) geloven.”
[Bij aankomst zei de zus van Lazarus: “Was u hier maar
geweest, dan was hij niet gestorven.]
“Je broer zal weer opstaan.”
[“Ja, ik weet dat hij zal opstaan op de laatste dag.”]
“Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal
leven, zelfs al sterft hij; en ieder die leeft en in Mij gelooft (blijft
geloven), zal nooit sterven. Geloof je dit?”
[Bij het graf:] “Neem de steen weg.”
[“Maar het lijk stinkt al.”]
“Heb Ik niet gezegd, dat jullie de heerlijkheid van God
zouden zien als je zou geloven? Vader Ik dank u dat u Mij gehoord hebt. Ik wist
dat u Mij altijd hoort, maar Ik zeg dit voor de mensen die hier staan, zodat ze
mogen geloven dat u Mij gezonden hebt.”
[Jezus riep met luide stem:] “Lazarus, kom naar buiten!”
[En hij kwam uit zijn graf.]
(Joh.11:11-44)
“Een zaaier ging zijn land op om te zaaien. Tijdens het
zaaien viel een gedeelte langs het pad, waar mensen het vertrapte en de vogels
het oppikten. Er viel wat op rotsachtige bodem, waar niet veel vruchtbare grond
was. Het kwam vlug op, omdat de grond ondiep was (er was maar weinig aarde).
Maar toen het opgekomen was, verschrompelden de plantjes in het zonlicht en
gingen dood omdat ze niet genoeg wortels hadden en te weinig vocht. Er viel ook
zaad tussen doornen, die samen met de planten opgroeiden en ze verstikten. Maar
er viel ook zaad in goede grond, waar het een oogst voortbracht. Het honderd-,
zestig- of dertigvoudige van wat gezaaid was. Laat wie kan horen, ook begrijpen
wat Ik zeg.”
(Mat.13:3-9. Mrk.4:3-9; Luk.8:5-8)
[De leerlingen vroegen waarom Jezus de mensen met
gelijkenissen dingen duidelijk maakte.]
“Het is aan jullie gegeven om de geheimen van het Hemelse
Koninkrijk te begrijpen, maar niet aan hen. Wie heeft zal meer ontvangen en hij
zal overvloed hebben. Maar wie niet heeft zal zelfs wat hij heeft, of denkt te
hebben, nog afgenomen worden. (Wie wil leren, zal steeds meer wijsheid
ontvangen; wie dat niet wil, zal zelfs het kleine beetje wijsheid en inzicht
wat hij heeft nog verliezen.) Dit is waarom Ik in verhalen (voorbeelden) tot
ze spreek: ‘Zij zullen zien en toch niet zien; zij zullen horen en niet
begrijpen’. In hen wordt vervuld wat door Jesaja (6:9,10) geprofeteerd is:
‘Jullie zullen steeds weer horen, maar nooit begrijpen; jullie zullen telkens
weer zien, maar nooit waarnemen. Want het hart van deze mensen is onverschillig
geworden; zij horen haast niets meer en zij hebben hun ogen dicht gedaan. Als
ze zouden zien met hun ogen, horen met hun oren en begrijpen met hun harten en
zich bekeren, dan zou Ik hen genezen’. Maar jullie ogen zijn gezegend omdat je
ziet, en jullie oren omdat je hoort. Want Ik zeg jullie dat vele profeten en
koningen hebben willen zien wat jullie zien, maar zij hebben het niet gezien;
en te horen wat jullie horen, maar zij hebben het niet gehoord.”
(Mat.13:10-17; Mrk.4:11,12,25; Luk.8:9,10,18; 10:23,24)
“Het voorbeeld van de zaaier betekent dit: als iemand de
boodschap van het Koninkrijk, het woord van God, hoort en niet begrijpt (of
niet wil begrijpen), zal hij de aanklager (de boosaardige, de verstrooier, de
duivel of satan) laten wegpikken wat er in zijn hart gezaaid is. Dat is het
zaad dat langs het pad terechtkwam. Het zaad dat op de rotsachtige bodem viel, staat
voor de mensen die het woord gehoord hebben en meteen blij ontvangen hebben.
Maar het heeft geen wortels en hun blijdschap is slechts van korte duur.
Wanneer moeilijkheden of vervolging komen vanwege dat Woord, trekken zij zich
al gauw terug. Het zaad dat tussen de doornen viel, staat voor de mensen die
het woord gehoord hebben, maar de zorgen van dit leven en het verraderlijke van
welvaart en materialisme verstikken het woord, waardoor het onvruchtbaar wordt.
Zij worden niet volwassen. Maar het zaad dat op goede grond viel staat voor de
mensen die het woord horen, begrijpen, aanvaarden en vasthouden, zij hebben een
goed en eerlijk hart, zij dragen vrucht, zijn geduldig en brengen een oogst
voort, die 100, 60 of 30 keer zoveel opbrengt als wat er gezaaid is.”
(Mat.13:18-23; Mrk.4:14-20; Luk.8:11-15)
“Het Koninkrijk van God kan vergeleken worden met een man
die goed zaad zaaide op zijn land. Maar terwijl iedereen sliep, kwam zijn
vijand, zaaide onkruid tussen het koren en ging weer weg. Toen het koren
opkwam, groeide ook het onkruid mee. De werknemers van de man kwamen naar hem toe
en zeiden: ‘Meneer, heeft u niet goed zaad gezaaid op uw veld? Waar komt al dat
onkruid vandaan?’ En hij zei: ‘Een vijand heeft dat gedaan.’ De werknemers
vroegen of ze het er dan uit moesten gaan trekken. ‘Nee’ zei de man, ‘want als
je het onkruid uittrekt, zul je ook het goede gewas meetrekken. Laat het samen
opgroeien tot de oogst. Dan zal Ik tegen de mensen die de oogst binnenhalen
zeggen dat ze eerst het onkruid er tussenuit moeten halen, opbinden en
verbranden; daarna moeten ze het koren ophalen en in mijn schuur brengen.’”
(Mat.13:24-30)
“De man die het goede zaad zaaide, is de Mensenzoon. Het
land is de wereld en het goede zaad staat voor de zonen van het Koninkrijk. Het
onkruid zijn de zonen van de boosaardige (de aanklager, de verstrooier, de duivel)
en de vijand die ze zaait is de aanklager zelf. De oogst is het einde van de
tijd en de mensen die de oogst binnenhalen stellen de engelen voor. Zoals het
onkruid uitgetrokken en in het vuur gegooid wordt, zo zal het ook zijn aan het
einde van de tijd. De Mensenzoon zal zijn engelen zenden en die zullen in het
Koninkrijk alles wat zonde veroorzaakt en allen die slecht doen er uit halen.
Zij zullen ze in de vurige oven gooien en daar zal gejammer en tandengeknars
zijn. De rechtvaardigen zullen schijnen als de zon, in het Koninkrijk van hun
Vader. Als iemand oren heeft, laat hij die dan gebruiken om te luisteren.”
(Mat.13:37-43)
“Het Koninkrijk van God is net als een man die zaad in de
grond verspreid heeft. Hij slaapt en staat op, nacht en dag, en het zaad komt
uit en groeit op, maar hij weet niet hoe het werkt. De aarde produceert vanzelf
de halm en dan de aar en dan het graan in de aar. Maar wanneer het volgroeid is
zet hij de sikkel er in, want de oogsttijd is aangebroken.
(Mrk.4:26-29)
“Het Koninkrijk van God is ook als een mosterdzaadje, dat
door een man geplant werd in zijn tuin. Hoewel dit het kleinste zaadje is, zal
het opgroeien tot het de grootste plant in de tuin is, zo groot als een boom.
Zo groot, dat zelfs de vogels komen en tussen de takken een nest bouwen.” (Vogels
zijn een beeld van kwade machten. Het Koninkrijk begint dus blijkbaar klein,
maar wordt zo groot dat er onzuivere invloeden binnen kunnen komen.)
(Mat.13:31,32; Mrk.4:30-32; Luk.13:18,19)
“Het Koninkrijk van God is als gist, dat een vrouw door drie
maten (een grote hoeveelheid) meel kneedde, totdat het door het hele deeg heen
zat.” (In het Joodse denken is gist een beeld van zonde. Het Koninkrijk wordt
dus groot en er komen verkeerde invloeden in.)
(Mat.13:33; Luk.13:21)
“Het Koninkrijk van God is als een schat, begraven in een
stuk grond. Toen een man die schat vond, verborg hij hem weer. Hij was zo enorm
blij, dat hij alles verkocht wat hij bezat om die grond te kopen.”
(Mat.13:44)
“Het Koninkrijk van God is ook als een handelaar die naar
mooie parels zocht. Toen hij een hele bijzondere vond, verkocht hij alles wat
hij had en kocht die ene parel.” (Parels waren onrein voor de Joden maar erg
gewild bij de heidenen. Jezus geeft aan dat Hij ook heidenen wil redden en dat
Hij er zelfs alles voor over heeft.)
(Mat.13:45,46)
“En nog zo’n vergelijking: het Koninkrijk van God is als
een net dat werd neergelaten en waar allerlei soorten vis in werd gevangen.
Toen het vol was, trokken de vissers het aan boord. Toen gingen ze zitten en
verzamelden alle goede vissen in manden, maar de slechte gooiden ze weg. Zo zal
het ook zijn aan het einde van de tijd. De engelen zullen komen en de slechte
mensen van de rechtvaardige mensen scheiden en ze in de vurige oven gooien,
waar het gejammer en tandengeknars zal zijn.”
(Mat.13:47-50)
“Daarom is elke leraar van de wet (schriftgeleerde, iemand
die de boeken bestudeert) die instructie gehad heeft over het Koninkrijk van
God als de eigenaar van een huis, die uit zijn voorraadkamer zowel nieuwe als
oude schatten tevoorschijn haalt.”
(Mat.13:52)
“Er was eens een rijke man die gekleed ging in dure gewaden
en elke dag in luxe leefde. Bij de poort van zijn huis lag een bedelaar,
genaamd Lazarus, die bedekt was met zweren en leefde van het afval van de rijke
man. Het was zelfs zo dat de honden zijn zweren kwamen likken. Toen stierf de
bedelaar en werd door de engelen bij Abraham gebracht (in de hemel). De rijke
man stierf ook en werd begraven. In het dodenrijk werd hij gekweld. Hij keek op
en zag Abraham in de verte, met Lazarus aan zijn zijde. Hij riep naar hem:
‘Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus om het topje van zijn
vinger in water te dopen en mijn tong te verkoelen, want ik word hier gekweld.’
Maar Abraham antwoordde: ‘Zoon, weet je nog dat je tijdens je leven allemaal
goede dingen hebt ontvangen, terwijl Lazarus alleen slechte dingen kreeg? Nu
wordt hij getroost en jij wordt gekweld. En afgezien daarvan, is er een grote
kloof tussen ons gemaakt, zodat zij die hiervandaan naar jou toe willen, niet
zouden kunnen; noch kan iemand van daar naar hier oversteken.’ Toen zei de
rijke man: ‘Ik smeek u, vader Abraham, zend Lazarus naar het huis van mijn
vader, om mijn vijf broers die daar nog zijn te waarschuwen, zodat zij niet net
zo gekweld zullen worden als ik hier.’ Abraham antwoordde: ‘Zij hebben Mozes
en de Profeten (De wet en de profetieën, het Oude Testament); laat ze maar naar
hen luisteren.’ ‘Nee, vader Abraham, (die lezen ze toch niet)’ zei hij, ‘maar
als er iemand uit de dood terug komt, zullen ze zich wel bekeren.’ Abraham zei:
‘Als ze niet luisteren naar Mozes en de Profeten, zullen ze ook niet overtuigd
worden door iemand die opstaat uit de dood.’”
(Luk.16:19-31)
[De leerlingen vroegen wie de belangrijkste zou zijn in het
Koninkrijk van God, omdat ze daar een meningsverschil over hadden gehad. Jezus
haalde er een kind bij en liet die in hun midden staan.]
“Luister goed naar Mij: tenzij je verandert en wordt als
kleine kinderen en het Koninkrijk van God aanneemt als een kind, zul je het
nooit binnengaan. Dus wie zichzelf vernedert als dit kind, is de belangrijkste
in het Koninkrijk van God. En wie zo’n klein kind als dit ontvangt in Mijn
naam, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gestuurd heeft.
Maar als iemand een van deze kleintjes, die in Mij geloven, laat zondigen, zou
het beter voor hem zijn als hij een grote molensteen om zijn nek gehangen kreeg
en werd verdronken in de diepste zee. O, wat ziet het er slecht uit voor de
wereld vanwege de dingen die mensen laten zondigen! (De dingen die mensen doen,
waardoor anderen worden verleid tot zonde.) Zulke dingen moeten gebeuren en
verleidingen om te zondigen zullen zeker komen, maar wee hem door wie ze komen!
Kijk uit dat je geen van deze kleintjes veracht, want Ik zeg je dat hun engelen
continu het gezicht van Mijn Vader in de hemel zien. Dus wees op je hoede.” (Ze
zijn steeds dicht bij God; zodat Hij altijd op de hoogte is van wat er met de
kleintjes gebeurt. Mogelijk wordt met ‘kleintjes’ ook jonge gelovigen bedoeld.)
(Mat.18:1-7,10; Mrk.9:34-37,42,43; 10:15; Luk.9:46-48;
17:1,2; 18:17)
“De Mensenzoon is gekomen om te redden wat verloren is. Wat
denk je, als een man honderd schapen heeft, en eentje dwaalt af, zal hij niet
de 99 anderen in de heuvels achterlaten en gaan zoeken naar dat ene schaapje dat
afgedwaald is? En als hij het gevonden heeft, tilt hij het verheugd op zijn
schouders en roept al zijn vrienden en buren bij elkaar en zegt: ‘Verheug je
met mij; ik heb mijn verloren schaapje terug gevonden’. Nou, Ik zal je zeggen
dat hij gelukkiger is met dat ene schaapje dan met die 99 anderen die niet
verdwaald waren. Zo wil ook jullie Vader in de hemel niet dat één van deze
kleintjes verloren gaat. En er is meer vreugde in de hemel over één zondaar die
zich bekeert, dan over 99 rechtvaardige mensen die zich niet hoeven te
bekeren.”
(Mat.18:12-14; Luk.15:4-7)
“Of stel: een vrouw heeft tien zilveren munten (ongeveer een
dagloon), en ze verliest er één. Zal ze niet een lamp pakken en het hele huis
uitkammen totdat ze hem gevonden heeft? En wanneer ze hem gevonden heeft, zal
ze haar vriendinnen en buren bij elkaar roepen en zeggen: ‘Verheug je met mij,
want ik heb de munt die ik verloren had weer gevonden.’ Neem maar van Mij aan
dat er vreugde is onder de engelen van God, over één zondaar die zich bekeert.”
(Luk.15:8-10)
“Er was eens een man die twee zonen had. De jongere zoon zei
tegen zijn vader: ‘Pa, geef mij mijn deel van de erfenis.’ Dus de vader
verdeelde zijn bezit tussen de twee. Niet lang daarna pakte de jongste zoon
alles wat hij had in, vertrok naar een ver land en verspilde al zijn rijkdommen
aan een ruig leven. Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een ernstige
hongersnood in dat land. Ook hij begon eronder te lijden dus verhuurde hij
zichzelf aan een lokale boer, die hem naar het land stuurde om voor zijn
varkens te zorgen. Hij wilde zo graag zijn maag vullen met de schillen die de
varkens aten, maar die mocht hij niet hebben. Toen kwam hij tot bezinning en
zei: ‘Zelfs de knechten van mijn vader hebben meer dan genoeg te eten en ik ga
hier dood van de honger! Ik ga terug naar mijn vader en ik zeg tegen hem:
vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u. Ik ben het niet meer waard
om uw zoon genoemd te worden. Maak mij maar gelijk aan één van uw knechten.’
Dus hij stond op en ging terug naar zijn vader. Zijn vader zag hem al aankomen
toen hij nog een heel eind van huis verwijderd was en werd vervuld van
medelijden; hij rende naar zijn zoon toe, nam hem in zijn armen en kuste hem.
De zoon zei tegen hem: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u. Ik
ben het niet langer waard om uw zoon genoemd te worden...’ Maar de vader zei
tegen zijn knechten: ‘Snel! Haal het beste overkleed en hang het over zijn
schouders. Doe een ring om zijn vinger en sandalen aan zijn voeten. Haal het
vetgemeste kalf en slacht het. Laten we feest vieren, want mijn zoon was dood
en is weer levend geworden; hij was verdwaald en hij is weer teruggevonden. En
zij vierden feest. Ondertussen was de oudste zoon op het land. Toen hij vlakbij
het huis kwam, hoorde hij muziek en dansende mensen. Dus hij riep een van de
knechten en vroeg wat er aan de hand was. ‘Uw broer is terug gekomen,’
antwoordde hij, ‘en uw vader heeft het vetgemeste kalf geslacht, omdat hij hem
veilig en wel terug heeft.’ De oudere broer werd boos en wilde niet naar binnen
gaan. Dus zijn vader kwam naar buiten en probeerde hem over te halen. Maar hij
antwoordde zijn vader: ‘Luister eens, al die jaren heb ik mij hier voor u
uitgesloofd en ik ben nog nooit ongehoorzaam geweest. En u hebt mij nog nooit
zelfs maar een jong bokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar
wanneer die zoon van u thuiskomt, die uw bezittingen heeft verbrast bij de
hoeren, slacht u het vetgemeste kalf voor hem!’ ‘Mijn zoon,’ zei de vader, ‘jij
bent altijd bij mij en alles wat ik heb is van jou. Maar we moeten feest vieren
en vrolijk zijn, want deze broer van jou was dood en nu leeft hij weer; hij was
verdwaald en nu is hij weer teruggevonden.”
(Luk.15:11-32)
[Petrus vroeg eens hoe vaak hij zijn broeder moest vergeven
wanneer die tegen hem zondigt; tot zeven keer?]
“Ik zal het je zeggen: Als je broer zondigt, bestraf hem, en
als hij zich bekeert, vergeef hem. Zelfs al komt hij zeven keer terug om te
zeggen dat hij spijt heeft, moet je hem vergeven. Nee, niet zeven keer, maar
zeventig maal zeven keer. Daarom lijkt het Koninkrijk van God op een koning die
de openstaande rekeningen van zijn dienaren wilde vereffenen. Als eerste werd
er een man bij hem gebracht die hem miljoenen schuldig was. Omdat hij niet kon
betalen beval de heer dat zijn vrouw en kinderen en alles wat hij bezat moest
worden verkocht om de rekeningen te betalen. De dienaar viel op zijn knieën en
smeekte: ‘Heb geduld met mij en ik zal u alles terugbetalen’. De heer kreeg medelijden
met hem, schold hem alle schulden kwijt en liet hem gaan. Maar toen de dienaar
naar buiten ging, vond hij een van zijn mede-dienaren die hem een klein bedrag
schuldig was. Hij greep hem vast en begon hem te wurgen. ‘Betaal me terug wat
je me schuldig bent!’ eiste hij. Zijn mede-dienaar viel op de knieën en
smeekte: ‘Heb geduld met mij en ik zal je terugbetalen’. Maar hij weigerde. In
plaats daarvan liet hij de man in de gevangenis gooien totdat hij de schuld
terug kon betalen. Toen de andere dienaren zagen wat er gebeurd was, waren ze
buitengewoon verontwaardigd en gingen hun heer alles vertellen. Toen riep de
heer die dienaar bij zich. ‘Jij slechte dienaar,’ zei hij, ‘ik heb jou die
grote schuld kwijt gescholden omdat je mij erom smeekte. Had jij niet net
zoveel genade moeten betonen aan jouw mede-dienaar als ik jou heb betoond?’
Woedend leverde de heer hem over aan de gevangenisbewaarders om gemarteld te
worden, totdat hij alles terug had betaald wat hij schuldig was. Dit is hoe
Mijn hemelse Vader elk van jullie zal behandelen, tenzij je een broeder van
harte vergeeft.” (Dit klinkt wel hard, maar wat een ander mens ons kan aandoen
is slechts een fractie van wat wij God schuldig zijn.)
(Mat.18:21-35; Luk.12:57-59; 17:3,4)
[Een rijke jongeman kwam bij Hem om te vragen hoe hij het
eeuwige leven kon krijgen.]
“Als je het (eeuwige) leven wilt hebben (letterlijk: binnen
wilt gaan,) gehoorzaam dan de geboden.”
[Hij vroeg: “Welke?”]
“Niet moorden, geen overspel plegen, niet stelen, geen vals
getuigenis geven, je vader en moeder eren en je naaste liefhebben als jezelf.”
[Hij zei: “Dat heb ik mijn hele leven al gedaan, wat mis ik
nog?”]
“Als je volmaakt wilt zijn mis je nog één ding: ga al je
bezittingen verkopen en geef (het geld) aan de armen, dan zul je een schat in
de hemel hebben. Kom dan hier en volg Mij.”
[Toen ging de man bedroefd weg, want hij was erg rijk.]
“Luister goed naar Mij: het is voor een rijke erg moeilijk
om het Koninkrijk van God binnen te gaan. Het is zelfs makkelijker dat een
kameel door het Oog van de Naald gaat dan dat een rijke het Koninkrijk van God
binnengaat.” (Het Oog van de Naald was - volgens een aantal bijbeluitleggers -
een klein deurtje in de stadspoort waar een kameel slechts met veel moeite op
zijn knieën door kon nadat al zijn bepakking was verwijderd. Nadat de poort
gesloten was, kon je alleen nog door dat deurtje naar binnen)
[De leerlingen vroegen zich af wie er dan nog behouden kon
worden.]
“Voor mensen is dit misschien onmogelijk, maar bij God zijn
alle dingen mogelijk.”
[Petrus zei: “Wij hebben alles verlaten om u te volgen, wat
levert dat op voor ons?”]
“Luister goed: bij de vernieuwing van alle dingen, wanneer
de Mensenzoon op zijn glorieuze troon zit, zullen jullie, die Mij gevolgd
hebben, op twaalf tronen zitten, om de twaalf stammen van Israël te oordelen.
En iedereen die zijn huis of zijn broers en zussen, zijn vader of moeder,
kinderen of landgoed verlaat voor Mij, zal nu, in deze tijd, het honderdvoudige
ontvangen - maar ook vervolgingen - en in de tijd die nog komen gaat, het
eeuwig leven. En mensen zullen komen uit het oosten en het westen, het noorden
en het zuiden, en zij zullen zitten aan de tafel in het Koninkrijk van God.
Maar velen die nu de eerste zijn, zullen de laatste zijn en vele laatsten
zullen de eerste zijn.” (Lukas heeft het niet over ‘vele’ maar ‘sommige’. Dat
echter slechts een verschil in benadering en doet de betekenis geen geweld aan.)
(Mat.19:16-30; Mrk.10:17-31; Luk.13:29,30; 18:18-30)
“Zo is het Koninkrijk van God ook als een landeigenaar die
er vroeg in de morgen op uit ging om mannen in te huren om in zijn wijngaard te
werken. Hij sprak met ze af dat hij ze een dagloon zou geven voor een dag werk
en stuurde hen de wijngaard in. Om ongeveer negen uur in de morgens ging hij er
nog eens op uit en zag nog wat mensen op het marktplein staan die niets te doen
hadden. Hij zei tegen hen: ‘Gaan jullie ook maar in mijn wijngaard werken en
dan betaal ik jullie wel een redelijk bedrag’. Dus zij gingen aan het werk. Hij
ging er rond twaalf uur en drie uur nog eens op uit en deed hetzelfde. Om vijf
uur ‘s middags ging hij nog eens en vond er nog een paar die maar wat
rondhingen. Hij vroeg hen: ‘Hebben jullie hier de hele dag gestaan zonder iets
te doen?’. ‘Niemand heeft ons ingehuurd’, was hun antwoord. Hij zei: ‘Gaan
jullie ook maar in mijn wijngaard werken’. Toen de avond viel, zei de eigenaar
tegen zijn voorman: ‘Roep de arbeiders en betaal hun loon, te beginnen bij hen
die ik het laatst heb ingehuurd en zo door tot de eerste. De arbeiders die om vijf
uur ingehuurd waren kregen ieder een dagloon. Dus zij die het eerst ingehuurd
waren, verwachtten dat ze meer zouden krijgen. Maar zij kregen ook elk een
dagloon. Zij begonnen te mopperen tegen de landeigenaar. ‘Deze mannen die het
laatst ingehuurd waren, hebben maar een uur gewerkt’, zeiden ze, ‘en u hebt ze
gelijk gesteld aan ons, die de hele dag hard gewerkt hebben in de brandende
zon.’ Maar hij zei tegen een van hen: ‘Vriend, ik ben toch niet onredelijk
tegen je geweest? Had je niet ingestemd dat je zou werken voor een dagloon?
Neem het dan en ga. Ik wil de man die ik het laatst ingehuurd heb net zoveel
geven als jij. Heb ik niet het recht om met mijn geld te doen wat ik wil? Of
ben je soms jaloers omdat ik zo vrijgevig ben?’ Zo zullen de laatste de eersten
zijn en de eersten de laatste.”
(Mat.20:1-16)
[Iemand zei: “Leraar, zeg tegen mijn broer dat hij de
erfenis met mij moet delen!”]
“Man, wie heeft mij aangesteld als jullie rechter en
advocaat? Wees op je hoede voor allerlei vormen van hebzucht. Het leven van een
mens wordt niet bepaald door de hoeveelheid bezittingen die hij heeft.”
(Luk.12:13-15)
“Het land van een zekere rijke man bracht goede oogst voort.
En hij dacht bij zichzelf: ‘Wat zal ik doen? Ik heb geen plaats meer om mijn
oogsten op te slaan.’ Toen zei hij: ‘Ik weet het, ik zal mijn schuren afbreken
en grotere bouwen; en daar zal ik al mijn graan en goederen opslaan. En dan zal
ik tegen mezelf zeggen: ‘nu heb je genoeg opgeslagen om vele jaren van te
leven. Maak het jezelf gemakkelijk; eet, drink en wees vrolijk.’ Maar God zei
tegen hem: ‘Jij dwaas! Nog deze nacht zal je leven van je worden geëist (zul je
sterven;) wie krijgt dan al die dingen die je voor jezelf hebt opgespaard?’ Zo
zal het gaan met iedereen die dingen voor zichzelf verzamelt, maar niet rijk is
in God. Verkoop je bezittingen en geef aan hen die het nodig hebben. Verzamel
geen schatten hier op aarde, waar roest en ongedierte ze kunnen aantasten, en
waar dieven inbreken en stelen. Maar verzamel schatten in de hemel, waar geen
roest en ongedierte zijn, en geen dieven kunnen inbreken. Schaf een beurs aan
die niet oud wordt. Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.”
(Mat.6:19-20; Luk.12:16-21,33,34)
“Er was eens een rijke man wiens beheerder van verduistering
werd beschuldigd. Dus riep hij hem bij zich en vroeg hem: ‘Wat hoor ik allemaal
over jou? Laat maar eens zwart op wit zien hoe jij je zaakjes regelt. Als het
waar is, kun je vertrekken.’ De beheerder zei tegen zichzelf: ‘Wat moet ik nu
doen? Mijn meester gaat mij ontslaan. Ik ben niet sterk genoeg om te graven en
ik zou me schamen om te gaan bedelen. Ik weet al iets. Als ik dat doe, zullen
mensen mij, wanneer ik mijn baan hier kwijt ben, gastvrij ontvangen in hun
huizen.’ Hij riep alle mensen die zijn meester iets schuldig waren bij zich en
vroeg aan de eerste: ‘Hoeveel ben jij mijn meester schuldig?’ ‘3000 liter
olijfolie,’ zei hij. De beheerder zei tegen hem: ‘Ga vlug zitten en maak er
1500 van.’ Toen vroeg hij aan de tweede: ‘En hoeveel ben jij schuldig?’ ‘30.000
kilo tarwe,’ was het antwoord. ‘Neem de rekening en maak er 25.000 van.’ De
rijke heer moest vol bewondering toegeven dat de oneerlijke beheerder zijn
zaakje goed voor elkaar had. Ja, de mensen van deze wereld zijn vaak handiger
in de omgang met elkaar, dan de mensen van het licht (de mensen die bij God
horen). Jullie moeten wereldse rijkdom gebruiken om vrienden te maken; zodat
je, wanneer je sterft, (gastvrij) ontvangen zult worden in de ‘eeuwige tenten’
(de hemel). Wie betrouwbaar is in kleine dingen, is ook betrouwbaar in grote
dingen. En wie oneerlijk omgaat met kleine dingen, is ook oneerlijk in grote
dingen. Dus als je niet betrouwbaar bent geweest in het omgaan met de rijkdom
van deze wereld, wie zal je dan ware rijkdom toevertrouwen? En als je niet betrouwbaar
omgaat met het bezit van anderen, wie zal je dan iets voor jezelf geven?”
(Luk.16:1-12)
[Tegen godsdienstige leiders, die erg van geld hielden en
duidelijk lieten merken dat ze het er niet mee eens waren:]
“En probeer jezelf niet te rechtvaardigen tegenover mensen;
God kent je hart. Wat mensen belangrijk vinden, is verachtelijk in Gods ogen.
Niemand kan twee meesters dienen. Je zal een hekel hebben aan de één en de
ander liefhebben, of je zal toegewijd zijn aan de één en de ander verachten. Je
kunt niet zowel God als het geld dienen. Verkoop liever je bezittingen en geef
aan de armen.”
(Mat.6:24; Luk.16:13,15)
“Wat denken jullie? Er was een man die twee zonen had. Hij
ging naar de eerste en zei: ‘Zoon, ga vandaag in de wijngaard werken’. ‘Ik ga
niet’, zei hij, maar later veranderde hij van gedachten en ging toch. Toen ging
de vader naar de andere zoon en zei hetzelfde. En die antwoordde: ‘Ik zal gaan,
Pa’, maar hij ging niet. Welke van de twee deed wat de vader wilde?”
[“De eerste”, was het antwoord.]
“Luister nu goed: zo gaan de belastinginners en prostituees
vóór jullie uit het Koninkrijk van God binnen. Want Johannes (de Doper) kwam om
de weg van rechtvaardigheid te laten zien en jullie geloofden hem niet, maar de
belastinginners en prostituees wel. En zelfs nadat jullie dit gezien hadden,
hebben jullie je niet bekeerd en hem geloofd.”
(Mat.21:27-32)
“Luister naar een andere vergelijking. Er was een
landeigenaar die een wijngaard geplant had. Hij zette er een muur omheen, groef
er een wijnpers in en bouwde een wachttoren. Toen verhuurde hij de wijngaard
aan een paar boeren en ging op een lange reis. Toen de oogsttijd kwam, zond hij
dienaren naar de huurders om (een gedeelte van) de oogst op te halen. De
huurders grepen de dienaren vast; ze sloegen de één, doodde een ander en
stenigden een volgende. Toen zond hij andere dienaren naar hen toe, meer dan de
eerste keer. En de huurders behandelden hen op dezelfde manier. Uiteindelijk
zond hij zijn geliefde zoon naar hen toe. ‘Die zullen ze toch wel respecteren’,
zei hij. Maar toen de huurders de zoon zagen, zeiden ze tegen elkaar: ‘Dit is
de erfgenaam. Kom, laten we hem doden, dan krijgen wij zijn erfenis’. Dus namen
ze hem mee en doodden hem buiten de wijngaard. Dus, wanneer de eigenaar van de
wijngaard terugkomt, wat zal hij dan doen met die huurders?”
[“Hij zal die afschuwelijke mensen tot een afschuwelijk
einde brengen,” antwoordden de leiders, “en hij zal de wijngaard aan anderen
verhuren, die de oogst wel aan hem zullen afstaan.” (Lukas laat zien dat de
leiders het hier wel door hebben dat het over hen gaat en dat ze zeer
verontwaardigd zijn.)]
“Hebben jullie nooit gelezen in de boeken (Psalm 118:22,23):
‘De steen die de bouwers afgekeurd hadden, is de hoeksteen geworden; de Heer
heeft dit gedaan en het is wonderlijk in onze ogen’? Ik zal jullie vertellen
dat het Koninkrijk van God van jullie afgenomen zal worden en gegeven worden
aan mensen die wel vrucht voortbrengen. Hij die over deze steen valt, zal te
pletter vallen en degene op wie deze steen valt, zal verpletterd worden.”
(Iemand die aanstoot neemt aan Jezus en Hem niet accepteert, zal ten val komen.
Iemand die de woede van Jezus opwekt, zal aan het einde van de tijd onder Zijn
oordeel komen.)
(Mat.21:33-44; Mrk.12:1-11; Luk.20:9-18)
“Het Koninkrijk van God is als een koning die een
bruiloftsmaal aanrichtte voor zijn zoon en daarvoor vele mensen had
uitgenodigd. Hij stuurde zijn dienaren naar de mensen die uitgenodigd waren
voor het feest om te zeggen dat ze konden komen want alles was klaar, maar ze
weigerden en begonnen zich te verontschuldigen. De één zei: ‘Ik heb net een
stuk land gekocht en ik moet er naar gaan kijken. Verontschuldigt u mij.’ Een
ander zei: ‘Ik heb vijf span ossen gekocht die ik ga inspecteren, u moet mij
verontschuldigen.’ En weer een ander zei: ‘Ik ben net getrouwd en kan echt niet
komen.’ Toen zond hij nog meer dienaren en zei: ‘Zeg tegen hen die uitgenodigd
zijn, dat ik mijn feestmaal gereed heb gemaakt, alles is klaar. Kom naar het
bruiloftsmaal’. Maar ze schonken er geen aandacht aan en gingen terug naar hun
eigen bezigheden, de één naar zijn land, de ander naar zijn bedrijf. Anderen
grepen de dienaren en mishandelden en doodden hen. De koning was razend. Hij
zond zijn leger en vernietigde die moordenaars en verbrandde hun stad. Toen zei
hij tegen zijn dienaren: ‘Het bruiloftsmaal is gereed, maar hen die ik
uitgenodigd had, waren het niet waard om te komen. Ga snel de straat op en
nodig iedereen die je kunt vinden uit voor het feest. Dring er op aan dat ze
komen, zodat mijn huis vol zal zijn. Breng ook de armen, de kreupelen, de
blinden en de lammen binnen. Ik zeg je: geen van die mannen die eerst
uitgenodigd waren, zal proeven van het banket!’ Dus de dienaren gingen de
straat op en verzamelden iedereen die ze konden vinden, zowel goede als slechte
mensen, en de feestzaal was gevuld met mensen. Maar toen de koning kwam om de
gasten te ontmoeten, ontdekte hij daar een man die geen bruiloftskleding
aanhad. (Die kleding werd uitgedeeld bij de deur, en het was verplicht om die
te dragen. Deze man was dus binnengeslopen en hield zich niet aan de regels.)
‘Vriend,’ zei hij, ‘hoe ben je hier binnengekomen, zonder bruiloftskleding?’ De
man had hier geen antwoord op. Toen zei de koning tegen zijn dienaren: ‘Bind
hem vast aan handen en voeten en gooi hem naar buiten, in de duisternis, waar
het gejammer en tandengeknars is’. (Je komt niet binnen met je eigen kleren, je
eigen gerechtigheid, je moet de gerechtigheid van God aannemen.) Dus velen zijn
uitgenodigd, maar weinigen zijn uitverkoren.” (De woorden die hier vertaald
zijn met ‘uitgenodigd’ en ‘uitverkoren’ lijken in het Grieks op elkaar:
‘kletoi’ en ‘eklektoi’. Deze slotzin geeft de tegenstelling aan tussen hen die
opgeroepen zijn en de mensen die daadwerkelijk gehoor hebben gegeven aan die
oproep – de uitverkorenen.)
(Mat.22:2-14; Luk.14:16-24)
[Joodse godsdienstige leiders wilden Hem pakken op Zijn
woorden en vroegen of het goed was om belasting te betalen aan de keizer. (Als
Hij ja zou zeggen, zou Hij de mensen tegen zich krijgen en als Hij nee zou
zeggen, kon hij opgepakt worden wegens opruiing tegen het bewind.)]
“Stelletje huichelaars, waarom proberen jullie Mij te pakken
te nemen? Laat Mij eens een belastingmunt zien.”
[Er werd een Romeins muntstuk gebracht.]
“Wiens afbeelding en inscriptie is dit?”
[“Van de keizer”, was het antwoord.]
“Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van
God is.”
[Ze waren onder de indruk en moesten zich gewonnen geven.]
(Mat.22:15-21; Mrk.12:14-17; Luk.20:22-26)
[Andere religieuze leiders stelden ook een strikvraag: “wat
is het belangrijkste gebod in de Wet?” (Eigenlijk hoopten ze dat Hij iets doms
zou zeggen, waardoor de mensen hun vertrouwen in Hem zouden verliezen. Er waren
veel meningen over het belangrijkste gebod van de wet: sommigen vonden dat het
besnijdenis was, anderen bepaalde verplichte offers of rituele wassingen. Maar
Jezus had ze wel door en gaf een antwoord waar ze niet van terug hadden.)]
“‘Luister Israël, de Heer onze God is de ene (of enige)
Heer. Heb de Heer, jouw God lief met heel je hart, heel je ziel en heel je
verstand en met al je kracht.’ (Deuteronomium 6:5) Dit is het eerste en
belangrijkste gebod. En het tweede is daaraan gelijk: ‘Heb je medemens lief als
jezelf.’ (Leviticus 19:18) De hele Wet en de Profeten draaien om die twee
geboden.”
(Mat.22:34-40; Mrk.12:28-31)
[Eén leider merkte op dat die dingen inderdaad belangrijker
zijn dan het brengen van allerlei brandoffers.]
“Jij bent niet ver van het Koninkrijk van God. Handel naar
de geboden en je zult leven.”
[Maar de leider wilde zichzelf rechtvaardigen en vroeg wie
dan wel die medemens was.]
“Een man daalde af van Jeruzalem naar Jericho toen hij werd
overvallen door rovers. Ze rukten de kleren van zijn lijf, sloegen hem in
elkaar en lieten hem voor dood liggen. Een priester kwam ook langs diezelfde
weg en toen hij de man zag, ging hij aan de andere kant van de weg voorbij. Er
kwam een Leviet langs (ook iemand die een functie had in de tempeldienst), en
ook deze ging aan de overkant voorbij. Maar toen kwam er een Samaritaan (waar
Joden op neerkeken) voorbij, die op reis was; en toen hij de man zag, kreeg hij
medelijden. Hij ging naar de man toe, verbond zijn wonden en goot er olie en
wijn op (verzachting en ontsmetting). Toen zette hij de man op zijn ezel,
bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem. De volgende dag gaf hij geld
aan de herbergier en zei: ‘Zorg voor hem, en wanneer ik terug kom zal ik alle
overige onkosten betalen.’ Welke van deze drie mensen was de medemens van de
man die door de rovers was overvallen?”
[“De man die medelijden had, natuurlijk.”]
“Ga en doe hetzelfde.”
(Mrk.12:32-34; Luk.10:30-37)
[Jezus stelde de religieuze leiders een vraag:]
“Wat denken jullie over de Gezalfde? Wiens zoon is Hij?”
[“De Zoon van David,” zeiden zij.]
“Hoe kan het dan dat David, geleid door de Geest, Hem Heer
noemt? Want hij zegt (in Psalm 110:1): ‘De Heer zei tegen mijn Heer: ‘Ga zitten
aan Mijn rechterhand, totdat Ik jouw vijanden onder je voeten gesteld heb’’ Als
David Hem Heer noemt, hoe kan Hij dan Zijn Zoon zijn?”
[Daar hadden ze geen weerwoord op.]
(Mat.22:41-46; Mrk.12:35-37;
Luk.20:41-44)
[Jezus en Zijn leerlingen waren in een boot het meer van
Galilea op gevaren. Er stak een zware storm op en de boot dreigde te vergaan.
Jezus lag te slapen, maar ze maakten Hem wakker met de woorden: “Red ons, Heer!
Kan het u niets schelen dat we vergaan?”]
“Waarom zijn jullie zo bang? Wat hebben jullie toch weinig
vertrouwen! (Letterlijk: kleingelovigen.) Wind, ga liggen, wees stil!”
[De wind ging liggen en het werd zeer stil. De leerlingen
waren stomverbaasd en zeiden vol ontzag: “Wie is dit toch, dat zelfs de wind en
het meer naar Hem luisteren?”]
(Mat.8:23-27; Mrk.4:35-41; Luk.8:22-25)
[Na een vermoeiende dag ging Jezus alleen een heuvel op om
te bidden, wat Hij wel vaker deed. Hij had de leerlingen vast vooruit gestuurd
in de boot. Het was al bijna ochtend, de leerlingen kwamen niet goed vooruit
omdat ze de wind niet mee hadden, toen Jezus over het water naar ze toe kwam
lopen. Er schijnt een bijgeloof onder de schippers in die streken te zijn
geweest, dat je zou vergaan als je bij ruig weer een geest op het water zag. Ze
waren in ieder geval doodsbang. Jezus stelde hen gerust en zei dat ze niet bang
hoefden te zijn omdat Hij het was. Petrus, één van Jezus’ leerlingen, vroeg of
hij over het water naar Hem toe mocht lopen als Hij het echt was. Jezus zei:]
“Kom.” [Maar na een stukje gelopen te hebben werd hij bang en begon te zinken.
Hij riep: “Heer, red mij!” Jezus greep hem beet en zei:]
“Wat heb je toch weinig vertrouwen, waarom ging je
twijfelen?”
[Toen ze in de boot waren gestapt, ging de wind liggen. Ze
aanbaden hem en zeiden: “U bent echt de Zoon van God.”]
(Mat.14:22-33; Mrk.6:45-51; Joh.6:16-21)
“Luister, maak je geen zorgen over je dagelijks leven, wat
je zult eten of drinken; of over je lichaam, wat voor kleding je zult dragen.
Is het leven niet veel belangrijker dan voedsel en het lichaam zelf niet
belangrijker dan de kleding? Kijk naar de vogels, zij zaaien of oogsten niet,
ze slaan niets op in pakhuizen of schuren; en toch geeft je hemelse Vader ze
voedsel. Jullie zijn toch veel waardevoller dan vogels? Wie kan er, door zich
zorgen te maken ook maar één uur aan zijn leven toevoegen? Als je zoiets kleins
niet eens kunt, maak je dan ook geen zorgen over de rest. En waarom maken
jullie je zorgen over kleren? Kijk eens hoe mooi sommige bloemen zijn. Die
maken zich niet druk. Maar zelfs Salomo was, in al zijn pracht en praal, niet
zo mooi als zij. Als God het gras, dat vandaag op het land staat en morgen weg
is, zo mooi maakt, zal hij dan niet ook voor jullie kunnen zorgen? Vertrouw
toch meer op God. Maak je dus geen zorgen en loop niet zo te jammeren, want
ongelovige mensen maken zich druk over die dingen, terwijl je hemelse Vader
precies weet wat je nodig hebt. Maar zoek boven alles Zijn Koninkrijk en Zijn
gerechtigheid - God wil jullie graag het Koninkrijk geven - Al die andere
dingen komen dan vanzelf wel. Maak je ook geen zorgen over morgen, want morgen
kan wel voor zichzelf zorgen. Elke dag heeft al genoeg zorgen van zichzelf.”
(Mat.6:25-34; Luk12:22-32)
“Mijn voedsel is de wil te doen van Hem die Mij gezonden
heeft om Zijn werk te doen.”
(Joh.4:34)
“Werk niet alleen maar om te eten, maar span je in om
voedsel te krijgen dat blijft tot in eeuwigheid. De Mensenzoon zal je dat
geven. Op Hem heeft God de Vader Zijn zegel van goedkeuring geplaatst. Doe het
werk van God, stel je vertrouwen op Degene die Hij gezonden heeft.”
(Joh.6:27-29)
“Het moment is aangebroken dat de Mensenzoon verheerlijkt
wordt, maar luister, dit is belangrijk: tenzij een graankorrel in de aarde valt
en sterft, blijft het slechts een enkel zaadje. Maar als het sterft zal het
veel zaden voortbrengen.
Ik heb het nu erg moeilijk, maar wat zal Ik zeggen? ‘Vader,
red Mij van dit moment’? Nee, Ik ben speciaal gekomen om dit door te maken.
Vader, verheerlijk Uw naam!”
[Een stem uit de hemel zei: “Dat heb Ik gedaan, en Ik zal
het weer doen.”]
“Deze stem was er voor jullie, niet voor Mij. Nu is de tijd
gekomen voor het oordeel over deze wereld; nu zal de overste (de prins, en
vorst) van deze wereld verdreven worden. Maar wanneer Ik opgeheven ben (aan het
kruis gehangen), zal Ik alle mensen naar Mij toetrekken.”
(Joh.12:23,24,27-32)
“We gaan naar Jeruzalem en alles wat over de Mensenzoon
geschreven is in de profeten, zal vervuld worden. Hij zal worden veroordeeld en
overgeleverd aan de heidenen. Zij zullen Hem bespotten, beledigen, op Hem
spuwen, Hem geselen en Hem doden. Op de derde dag zal Hij weer opstaan.”
(Mat.20:18,19; Mrk.10:33,34; Luk.18:31-33)
[Toen Jezus met zijn leerlingen het paasfeest ging vieren,
waste Hij eerst de voeten van zijn leerlingen; dat was een smerig werkje, dat
normaal door slaven gedaan werd. Men droeg open sandalen, waardoor allerlei
viezigheid van de weg aan de voeten kwam te zitten. Toen Hij klaar was en aan
tafel kwam, zei Hij:]
“Begrijpen jullie wat Ik voor jullie gedaan heb? Jullie
noemen Mij ‘Leraar’ en ‘Heer’ en dat is juist, want dat ben Ik ook. Nu Ik, als
Leraar en Heer, jullie voeten gewassen heb, moeten jullie ook elkaar de voeten
wassen. Ik heb jullie dit voorbeeld gegeven, zodat jullie hetzelfde zouden
doen. Luister goed naar wat Ik zeg: een dienaar is niet belangrijker dan zijn
meester, noch een boodschapper belangrijker dan degene die hem gezonden heeft.
Nu je deze dingen weet, ben je gezegend als je ze ook doet.”
(Joh.13:12-17)
[Jezus wist dat Judas Iscariot hem zou verraden en stuurde
hem weg. De anderen dachten dat hij nog iets moest kopen.]
“Nu wordt de Mensenzoon verheerlijkt en God wordt door Hem
heen ook verheerlijkt. Ik geef jullie een nieuwe opdracht: heb elkaar lief,
zoals Ik jullie heb liefgehad. Zo zullen alle mensen kunnen zien dat jullie
Mijn leerlingen zijn; als jullie elkaar liefhebben.
(Joh.13:31,34,35)
Laat je niet ontmoedigen. Vertrouw op God; vertrouw ook op
Mij. In het huis van Mijn Vader zijn veel kamers; als dat niet zo was, zou Ik
dat gezegd hebben. Ik ga daar naartoe om een plaats voor jullie klaar te maken.
Ik zal terugkomen om jullie op te halen, zodat jullie ook kunnen zijn waar Ik
ben. Jullie weten de weg.”
[Eén van de leerlingen zei dat hij het niet wist.]
“Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt bij
de Vader dan door Mij. Als jullie Mij echt kenden, zouden jullie Mijn Vader ook
kennen. Van nu af aan kennen jullie Hem en hebben jullie Hem gezien.”
[Een leerling zei: “Toon ons de Vader, dat is genoeg”]
“Nu ben Ik al zo lang bij jullie en je kent me nog niet?
Iedereen die Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien. Hoe kun je dan zeggen:
‘Laat ons de Vader zien?’ Geloof je niet dat Ik in de Vader ben en dat de Vader
in Mij is? De Woorden die Ik tot jullie spreek zijn niet alleen van Mijzelf.
Eigenlijk is het de Vader die in Mij leeft en zijn werk doet. Geloof Mij wanneer
Ik zeg dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is; of geloof dan op z’n minst
vanwege de wonderen zelf. Luister goed, dit is belangrijk; iedereen die op Mij
vertrouwt zal doen wat Ik heb gedaan. Hij zal zelfs nog grotere dingen doen,
want Ik ga naar de Vader. En Ik zal doen wat je maar vraagt in Mijn naam, zodat
de Vader wordt verheerlijkt door de Zoon. Je kunt Mij alles vragen in Mijn
naam, en Ik zal het doen. Als je van Mij houdt, zul je Mij gehoorzaam zijn. En
Ik zal de Vader vragen om een andere Raadgever (te sturen) die voor altijd bij
jullie zal zijn, de Geest van de waarheid; en Hij zal Hem geven. De mensen van
de wereld kunnen Hem niet aanvaarden omdat ze Hem niet zien en niet kennen,
maar jullie kennen Hem, want Hij woont bij jullie en zal in jullie zijn. Ik zal
jullie niet als wezen achterlaten. Ik zal bij jullie komen. Het duurt niet lang
meer en dan zal de wereld Mij niet meer zien, maar jullie zullen Mij zien.
Omdat Ik leef, zullen jullie ook leven. Op die dag zullen jullie beseffen dat
Ik in de Vader ben, dat jullie in Mij zijn en dat Ik in jullie ben. Wie Mijn
opdrachten heeft ontvangen en ze ook gehoorzaamt (die volgens mijn onderwijs
leeft en handelt), dat is degene die van Mij houdt. Als iemand van Mij houdt,
zal Mijn Vader ook van hem houden; Ik zal ook van hem houden en Mijzelf aan hem
laten zien.”
[Eén van de leerlingen vroeg: “Waarom laat u zichzelf aan
ons zien en niet aan de wereld?”]
“Als iemand van Mij houdt, zal hij zich aan Mijn woorden
houden. Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen bij hem komen en bij hem
inwonen. Wie niet van Mij houdt, zal Mijn onderwijs niet gehoorzamen. Deze
woorden zijn niet van Mijzelf, maar van de Vader, die Mij gestuurd heeft. Over
al deze dingen heb Ik gesproken terwijl Ik nog bij jullie was, maar de
Raadgever, de Heilige Geest, die de Vader zal sturen in Mijn naam, zal jullie
alle dingen duidelijk maken en jullie herinneren aan alles wat Ik gezegd heb.
Ik geef jullie Mijn vrede, maar niet de vrede zoals de wereld die geeft
(onverschilligheid en berusting). Wees niet ongerust en wees niet bang. Jullie
hoorden Mij zeggen dat Ik weg ga en weer terug kom. Als je van Mij hield, zou
je blij zijn dat Ik naar de Vader ga, want de Vader is groter dan Ik. (Vertrouw
op Mij, als Ik naar de Vader terug ga, kan Ik veel meer doen.) Ik vertel je dit
allemaal voordat het gebeurt, zodat je zult geloven wanneer het daadwerkelijk
gebeurt. Ik zal niet meer zoveel met jullie spreken, want de overste van de
wereld komt eraan. Hij kan Mij niet echt vasthouden, maar de wereld moet weten
dat Ik van de Vader houd en dat Ik precies doe wat Hij Mij heeft opgedragen.”
(Joh.14:1-31)
[Toen ze samen aan tafel zaten, om de traditionele
paasmaaltijd te gebruiken, nam Hij het brood en de wijn.]
“Ik heb er heel erg naar verlangd om dit paasmaal met jullie
te eten, voordat Ik lijd. Neem en eet dit brood: dit is (een symbool voor) Mijn
lichaam dat voor jullie gegeven is. Drink allemaal uit deze beker. Dit is (een
symbool voor) Mijn ‘bloed van het verbond’ (in tegenstelling tot het ‘oude’ bloed
van het verbond uit Exodus 24:8), dat uitgegoten wordt voor vele mensen, ter
vergeving van zonden. Doe dit ter herinnering aan Mij. Luister naar Mij: Ik zal
dit maal vanaf nu niet meer eten en deze vrucht van de wijnstok niet meer
drinken, tot op de dag dat het vervuld wordt en Ik nieuwe wijn zal drinken in
het Koninkrijk van Mijn Vader.”
(Mat.26:26-29; Mrk.14:22-25; Luk.22:15-20)
[Ze zongen een lied, gingen naar buiten en wandelden naar de
tuin waar ze wel vaker heen gingen om te praten en te bidden.]
“Ik ben de echte (de ware) wijnstok en Mijn Vader is de
tuinman. Elke rank aan Mij die geen vrucht draagt, neemt hij weg (een andere
mogelijke vertaling is: tilt Hij op. De takken die slap hangen moeten
opgebonden worden) en elke rank die vrucht draagt snoeit Hij (of: maakt hij
schoon), zodat hij meer vrucht zal dragen. Jullie zijn al gesnoeid (schoon) vanwege
de woorden die Ik tot jullie gesproken heb. Blijf in Mij en Ik zal in jullie
blijven. Geen enkele rank kan uit zichzelf vrucht dragen. Hij moet aan de
wijnstok blijven. Zo kunnen jullie ook geen vrucht dragen tenzij je in Mij
blijft. Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Als iemand in Mij blijft
en Ik in hem, zal hij veel vrucht dragen. Zonder Mij kun je niets doen. Als
iemand niet in Mij blijft, is hij als een rank die weggegooid is en verdort;
zulke ranken worden verzameld en in het vuur gegooid, om te worden verbrand.
Als je in Mij blijft en Mijn woorden blijven in jou, vraag wat je maar wilt, en
het zal je gegeven worden. Het is ter verheerlijking van Mijn Vader dat je veel
vrucht draagt; hieruit zal blijken dat jullie Mijn leerlingen zijn.”
(Joh.15:1-8)
“Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb Ik jullie
liefgehad. Blijf nu in Mijn liefde. Wanneer je Mijn opdrachten gehoorzaamt, zul
je in Mijn liefde blijven, net zoals Ik de opdrachten van Mijn Vader
gehoorzaamd heb en in Zijn liefde blijf. Ik heb jullie dit verteld, zodat Mijn
vreugde (ook) in jullie zal mogen zijn en dat jullie vreugde volmaakt zal zijn.
Mijn opdracht is deze: houd van elkaar, zoals Ik ook van jullie heb gehouden.
Niemand heeft grotere liefde dan hij die zijn leven aflegt voor zijn vrienden.
Jullie zijn Mijn vrienden, als je doet wat Ik je zeg. Ik noem jullie niet
langer dienaren, omdat een dienaar niet weet waar zijn meester mee bezig is.
Nee, Ik noem jullie vrienden, want alles wat Ik van Mijn Vader heb geleerd, heb
Ik ook aan jullie bekend gemaakt. Jullie hebben niet Mij, maar Ik heb jullie
uitgekozen en aangewezen om uit te gaan en vrucht te dragen – vrucht die zal blijven.
Dan zal de Vader je alles geven wat je vraagt in Mijn naam. Dit is Mijn
opdracht: houd van elkaar.”
(Joh.15:9-17)
“Als de wereld jullie veracht, houd dan in gedachten dat ze
Mij eerst veracht heeft. Als jullie tot de wereld zouden behoren, zou deze je
liefhebben als een eigen kind. Maar omdat jullie niet van deze wereld zijn,
omdat ik jullie heb uitgekozen, veracht de wereld jullie. Denk aan wat Ik
gezegd heb: geen enkele dienaar is groter dan zijn meester. Als ze Mij vervolgd
hebben, zullen ze jullie ook vervolgen. Als ze Mijn onderwijs hebben
gehoorzaamd, zullen ze dat van jullie ook gehoorzamen. Ze zullen jullie zo
behandelen vanwege Mijn naam, omdat ze Hem niet kennen die Mij gezonden heeft.
Als Ik niet was gekomen en tot hen gesproken had, zouden ze onschuldig zijn.
Maar nu hebben ze geen excuus voor hun zonden. Wie Mij veracht, veracht ook
Mijn Vader. Als Ik onder hen niet gedaan had wat nog niemand anders gedaan
heeft, zouden ze onschuldig zijn. Nu hebben ze deze wonderen gezien en toch
verachten ze zowel Mij als Mijn Vader. Maar dit is ook een vervulling van wat
geschreven staat in hun Wet (het Oude Testament, Psalm 35:19 en 69:4): “Zij
verachten Mij zonder reden.’”
(Joh.15:18-25)
“Wanneer de Raadgever komt, die Ik jullie zal sturen
wanneer Ik bij de Vader ben, de Geest van waarheid, die uitgaat van de Vader,
zal Hij van Mij getuigen. En jullie moeten ook getuigen, want jullie zijn bij
Mij geweest vanaf het begin. Dit heb Ik allemaal verteld, zodat jullie niet
zullen afdwalen. Ze zullen jullie uit de synagoge gooien; er zal zelfs een tijd
komen dat mensen denken dat ze God een plezier doen door jullie te doden. Ze
zullen die dingen doen, omdat ze noch de Vader, noch Mij hebben gekend. Ik heb
jullie dit verteld, zodat, wanneer het gebeurt, jullie je zullen herinneren dat
Ik jullie gewaarschuwd heb. In het begin heb ik er niet over gepraat, maar nu
ga Ik (terug) naar Hem die Mij gezonden heeft, en niemand van jullie vraagt
waar Ik heenga. Omdat Ik deze dingen gezegd heb zijn jullie vol van verdriet.
Maar luister goed: het is voor jullie eigen bestwil dat Ik weg ga. Als Ik niet
weg ga kan de Raadgever niet bij jullie komen. Maar als Ik ga, zal Ik Hem naar
jullie toesturen. Wanneer Hij komt, zal Hij de schuld van de wereld aan het
licht brengen, met betrekking tot zonde (het besef dat je een zinloos bestaan
leid zonder Jezus), rechtvaardigheid (dat Jezus rechtvaardig is en wij niet) en
oordeel. Zonde, omdat mensen niet in Mij geloven; rechtvaardigheid, omdat Ik
(als rechtvaardige Zoon van God) naar de Vader ga en jullie Mij niet meer
kunnen zien; en oordeel, omdat de overste van deze wereld nu al veroordeeld
is.” (Al vanaf de eerste keer dat hij de mensen verleidde is satan veroordeeld.
En iedereen die zich niet afkeert van de goddeloze en materialistische wegen
van de wereld, valt automatisch onder datzelfde oordeel.)
(Joh.15:26,27; 16:1-11)
“Ik heb nog veel meer tegen jullie te zeggen, meer dan
jullie nu kunnen bevatten. Maar wanneer de Geest van Waarheid komt, zal Hij
jullie leiden in de volledige waarheid. Hij zal niet uit zichzelf spreken; Hij
zal alles zeggen wat Hij hoort en Hij zal jullie vertellen wat er nog te
gebeuren staat. Hij zal Mij verheerlijken door te nemen uit wat van Mij is en
het aan jullie bekend te maken. Dat zeg Ik omdat alles wat aan de Vader
toebehoort, ook van Mij is. Nog een korte tijd en dan zullen jullie Mij niet
meer zien; en dan nog een korte tijd later zien jullie Mij weer.”
[Dat was een reden voor de leerlingen om vragen te stellen:
“We begrijpen het niet, wat betekent dat...?”]
“Luister naar Mij: jullie zullen huilen en rouwen terwijl de
wereld feest viert. Jullie zullen treuren, maar jullie droefheid zal omslaan in
vreugde. Een vrouw die een kind ter wereld moet brengen heeft pijn, omdat haar
tijd gekomen is; maar wanneer de baby geboren is, vergeet ze haar pijn omdat ze
zo blij is dat het kind geboren is. Zo is het ook met jullie: nu is er een tijd
van droefheid voor jullie, maar Ik zal jullie weer zien en dan zullen jullie
blij zijn en niemand zal die vreugde van jullie afnemen. Dan zul je niet langer
iets aan Mij vragen. Ik zeg jullie: Mijn Vader zal je alles geven wat je vraagt
in Mijn naam. Tot nu toe heb je niets gevraagd in Mijn naam. Vraag en je zult
ontvangen; en je vreugde zal volmaakt zijn. Hoewel Ik figuurlijk (beeldend)
gesproken heb, komt er een tijd dat Ik niet langer dit soort taal zal
gebruiken, maar Ik zal jullie rechtuit over Mijn Vader vertellen. Dan zullen
jullie vragen in Mijn naam. Ik zeg niet dat Ik dan de Vader zal vragen ten
behoeve van jullie. Nee, de Vader zelf heeft jullie lief, omdat je van Mij
gehouden hebt en geloofd hebt dat Ik van God ben gekomen. Ik kwam van de Vader
en ben de wereld ingegaan. Nu verlaat Ik de wereld en ga terug naar de Vader.
Ik heb jullie deze dingen verteld, zodat jullie in (door) Mij vrede mogen
hebben. In deze wereld zullen jullie vervolgd worden. Maar heb goede moed, Ik
heb de wereld overwonnen.”
(Joh.16:12-28,33)
“Vader, de tijd is aangebroken. Verheerlijk (geef de eer
aan) Uw Zoon, zodat Uw Zoon u mag verheerlijken (de eer kan geven). Want U hebt
Hem autoriteit gegeven over alle mensen, zodat Hij eeuwig leven kan geven aan
allen die U Hem gegeven hebt. En dit is het eeuwige leven: dat ze U
(mogen/kunnen) kennen, de enige ware God en Jezus de Gezalfde, die U gezonden
hebt. Ik heb U verheerlijkt op aarde, door het werk af te maken dat U Mij
gegeven hebt om te doen. En nu, Vader, verheerlijk Mij in Uw aanwezigheid, met
de heerlijkheid die Ik had toen Ik bij U was, voordat de wereld begon. Ik heb U
(Uw Naam) geopenbaard aan hen die U Mij hebt gegeven vanuit de wereld. Zij
waren van U; U hebt hen aan Mij gegeven en zij hebben uw woord gehoorzaamd. Nu
weten zij dat alles wat U Mij gegeven hebt, van U komt. Want Ik heb ze de
woorden gegeven die U Mij gegeven hebt en zij hebben ze aanvaard. Zij wisten
met zekerheid dat Ik van U kwam en zij geloofden dat U Mij gezonden hebt. Ik
bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor hen die U Mij gegeven hebt,
want zij zijn van U. Alles wat Ik heb is van U en alles wat U hebt is van Mij,
en ik ben in hen verheerlijkt. Ik blijf niet langer in de wereld, maar zij zijn
nog steeds in de wereld en Ik kom bij U. Heilige Vader, bescherm hen door de
kracht van uw Naam – de Naam die u Mij gaf – zodat zij één mogen zijn, zoals
wij één zijn. Toen Ik nog bij hen was, beschermde en bewaarde Ik hen door de
Naam die U Mij gegeven hebt. Geen van hen is verloren gegaan, behalve die ene,
die gedoemd was om verloren te gaan (Judas), zodat vervuld werd wat over hem in
de boeken geschreven staat. (Psalm 41:9: Hij die bij mij aan tafel zat heeft
zich tegen mij gekeerd.) Ik kom nu bij U, maar Ik zeg deze dingen terwijl Ik
nog in de wereld ben, zodat ze de volle maat van Mijn vreugde in zich mogen
hebben. Ik heb aan hen Uw woord gegeven en de wereld heeft een hekel aan hen
gehad, want ze zijn net zo min van de wereld als Ik van de wereld ben. Mijn
gebed is niet dat U ze uit de wereld neemt, maar dat U ze beschermt tegen de
boosaardige (de duivel). Zij zijn niet van de wereld, net zoals Ik niet van de
wereld ben. Zet ze apart voor Uw heilige doeleinden, door de waarheid; Uw woord
is waarheid. Zoals U Mij de wereld ingezonden hebt, zo zend Ik ook hen de
wereld in. Ik zet Mijzelf voor hen apart, zodat ook zij helemaal apart gezet
zullen zijn.
(Joh.17:1-19)
“Ik bid niet alleen voor hen. Ik bid ook voor hen die door
hun boodschap in Mij gaan geloven. Dat ze allemaal één mogen zijn, Vader, zoals
U in Mij bent en Ik in U. Mogen zij ook in ons zijn, zodat de wereld mag
geloven dat U Mij gezonden hebt. Ik heb ze de heerlijkheid gegeven die U Mij
gegeven hebt, zodat zij één mogen zijn, zoals wij één zijn. Ik in hen en U in
Mij. Mogen ze tot volmaakte eenheid komen, om de wereld te laten weten dat U
Mij hebt gezonden en van hen hebt gehouden, zoals U ook van Mij gehouden hebt.
Vader, Ik wil dat zij die U Mij gegeven hebt, bij Mij zullen zijn, waar Ik ben;
en Mijn heerlijkheid zullen zien. De heerlijkheid die U Mij gegeven hebt, omdat
U van Mij gehouden hebt, al voor de schepping van de wereld. Rechtvaardige
Vader, Ik ken U, hoewel de wereld U niet kent; en zij weten dat U Mij gezonden
hebt. Ik heb U aan hen bekend gemaakt en Ik zal daarmee doorgaan, zodat de
liefde die U voor Mij hebt, in hen mag zijn en dat Ikzelf in hen mag zijn.”
(Joh.17:20-26)
[In de tuin werd Jezus gevangen genomen. Toen Petrus één van
de dienaren van de hogepriester een oor afsloeg, genas Jezus het oor.]
“Doe dat zwaard weg, zal Ik niet de beker drinken die de
Vader Mij gegeven heeft? Allen die het zwaard trekken, zullen omkomen door het
zwaard. Denk je niet dat Ik Mijn Vader zou kunnen aanroepen, en dat Hij Mij dan
niet direct een legioen engelen ter beschikking stelt? Maar hoe zou anders
vervuld moeten worden wat er in de geschriften staat (wat de profeten voorspeld
hebben): dat dit zo moest gebeuren?”
(Mat.26:51-54,56; Joh.18:11)
[Jezus werd gevangen genomen en voor de hogepriester geleid.
Die beval Jezus om hen te vertellen of Hij de Gezalfde was, de Zoon van God.]
“Als ik het jullie vertel, geloven jullie mij niet en als ik
het aan jullie vraag zullen jullie niet antwoorden. Het is zoals u zegt. Maar
Ik zeg tegen jullie allemaal: vanaf nu zullen jullie de Mensenzoon (alleen nog
maar) zien zitten aan de rechterhand van de machtige God en Hem zien komen op
de wolken.”
(Mat.26:57-64; Mrk.14:60-62; Luk.22:66-70)
[Jezus werd voor stadhouder Pilatus gebracht, die Hem vroeg
of Hij een koning was.]
“Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Als dat zo was,
zouden Mijn dienaren vechten om te voorkomen dat Ik gearresteerd zou worden.
Maar dat is niet zo; Mijn koninkrijk is van ergens anders. U hebt wel gelijk
dat Ik een koning ben. Ik ben zelfs speciaal daarvoor geboren; Ik ben op de
wereld gekomen om te getuigen van de waarheid. Iedereen die aan de kant van de
waarheid staat, luistert naar Mij.”
(Mat.27:11; Luk.23:3; Joh.18:36,37)
[De Joden eisten dat Hij gekruisigd werd.]
[Pilatus: “Snap je niet dat ik de macht heb om je te laten
kruisigen?”]
“U zou geen macht over Mij hebben, als het u niet van boven
gegeven was. Daarom is degene die Mij aan u overgeleverd heeft, schuldig aan
een grotere zonde.”
[Pilatus wilde Hem vrijlaten, maar de Joden wilden er niets
van weten, waarop Pilatus Hem aan de Joden overhandigde.]
(Joh.19:10-16)
[Toen Jezus aan het kruis geslagen was:]
“Vader, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen.”
(Hiermee opende Jezus de weg voor vrijspraak, zelfs voor de mensen die Hem
kruisigden.)
(Luk.23:34)
[Midden op de dag was het drie uur lang donker en Jezus
riep:]
“Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?”
(God keerde zich van Hem af, omdat Hij alle zonden op zich
had genomen en zich helemaal vereenzelvigd had met de zonde van de mensheid, om
er vervolgens voor te sterven.)
(Mat.27:45,46; Mrk.15:33,34)
[Een van de misdadigers die met Hem gekruisigd was ging in
hem geloven en vroeg aan Jezus om hem niet te vergeten wanneer Hij in Zijn
Koninkrijk zou komen.]
“Wees ervan verzekerd dat je vandaag nog met Mij in het
paradijs zult zijn.”
(Luk.23:39-43)
[Jezus stierf met de woorden:]
“Vader, Ik geef Mijn geest in uw handen over.”
“Het is volbracht / voldaan (de schuld is betaald!)”
(Luk.23:46; Joh.19:30)
[Jezus werd begraven en stond 3 dagen later weer op uit de
dood, zoals Hij voorspeld had. Na Zijn opstanding verscheen Hij aan Maria
Magdalena, die hij van zeven demonen bevrijd had.]
“Houd je niet aan Mij vast, want Ik ben nog niet terug
gegaan naar de Vader. Ga naar Mijn broeders en zeg hen: ‘Ik ga terug naar Mijn
Vader en jullie Vader, naar Mijn God en jullie God.’”
(Joh.20:1-17)
[Er liepen twee van zijn leerlingen op de weg van Jeruzalem
naar Emmaüs te praten over de gebeurtenissen. Zij waren in een sombere
stemming. Jezus kwam naast hen lopen en vroeg waar ze het over hadden. Ze
herkenden Hem eerst niet en legden uit wat er allemaal gebeurd was, maar ze
wisten niet wat ze over de gebeurtenissen moesten denken. Ze hadden hele andere
dingen van Jezus verwacht. Ze dachten dat Hij het volk zou bevrijden van de
Romeinen. Maar nu was Hij dood. Ze hadden wel van een paar andere leerlingen
gehoord dat ze het graf leeg gevonden hadden maar ze konden niet geloven dat
Jezus inderdaad uit de dood was opgestaan. (Waarom ze Jezus niet gelijk
herkenden wordt in de tekst niet vermeld. Daar kunnen we alleen maar over
gissen. Misschien was Hij heel erg veranderd. Misschien heeft Hij zichzelf bewust
onherkenbaar gemaakt. We weten het niet)]
“Wat zijn jullie toch onverstandig en traag van begrip.
Weet je niet wat de profeten hebben geschreven over de Gezalfde? Dat Hij dit
lijden moest ondergaan en dan in zijn heerlijkheid ingaan?”
[En vanuit de boeken van Mozes en de profeten (het Oude
Testament), legde Hij uit wat allemaal betrekking had op Hem (zie bijlage).]
(Lukas 24:13-27)
[Na het gesprek met de Emmaüsgangers verscheen Hij ook aan
de hele groep leerlingen. Ze dachten dat hij een spook was.]
“Waarom zijn jullie zo in de war en waarom twijfelen jullie
zo? Kijk naar Mijn handen en Mijn voeten. Ik ben het echt! Raak Mij aan en kijk
naar Mij; een spook heeft geen vlees en botten. Ik heb die wel, zoals je ziet.”
[Ze konden het bijna niet geloven.]
“Heb je hier iets te eten?”
[Ze gaven hem iets en hij at het waar ze bij waren.]
“Dit is wat Ik jullie verteld heb, toen Ik nog met jullie
optrok: alles wat in de boeken van Mozes, de profeten en de psalmen over Mij
geschreven staat moet worden vervuld. En dit is wat er geschreven staat: de
Gezalfde zal lijden en op de derde dag opstaan uit de dood. Bekering en
vergeving van zonden zal in Zijn naam worden verkondigd, te beginnen in
Jeruzalem. Jullie zijn getuige van deze dingen. Zoals de Vader Mij gezonden heeft,
zo zend Ik ook jullie. Als jullie mensen hun zonden vergeven, zijn ze vergeven;
als je ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven. Wat Mijn Vader heeft beloofd,
ga Ik jullie sturen; maar blijf in de stad totdat jullie bekleed worden met
kracht van omhoog.”
(Luk.24:36-49; Joh.20:19-23)
[Een zekere Thomas (één van de leerlingen) geloofde niet dat
Jezus opgestaan was, maar toen hij Hem zelf zag, geloofde hij het wel.]
“Omdat je Mij gezien hebt, ging je geloven; gezegend zijn
zij die niet gezien hebben en toch geloven.”
(Joh.20:24-29)
[Jezus ontmoette Zijn leerlingen nog een aantal keren, bij
de laatste ontmoeting, vlak voordat Hij terug ging naar de hemel zei Hij:]
“Alle autoriteit in hemel en op aarde is aan Mij gegeven. Ga
er daarom opuit, ga de wereld in en maak uit alle volken mensen tot mijn
volgelingen (leerlingen). Vertel het goede nieuws aan de hele schepping. Doop
hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Wie gelooft en
gedoopt is, zal gered worden, maar wie niet gelooft (op Mij vertrouwt), zal
veroordeeld worden. En leer hen alles te gehoorzamen wat Ik jullie heb
opgedragen. En de mensen die geloven (op Mij vertrouwen) zullen aan deze dingen
worden herkend: in Mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven; zij zullen in
nieuwe talen spreken; zij zullen slangen oppakken met hun handen; en wanneer
zij dodelijk vergif (moeten) drinken, zal het hen geen kwaad doen; zij zullen
hun handen op zieke mensen leggen en zij zullen genezen worden. Wees ervan
verzekerd dat Ik altijd met jullie zal zijn, tot aan het einde van de tijd (dit
tijdperk).”
(Mat.28:18-20; Mrk.16:15-18)
“Verlaat Jeruzalem niet, maar wacht op ‘de gave’ die Mijn
Vader beloofd heeft, waar jullie Mij over hebben horen spreken. Want Johannes
doopte in water, maar over een aantal dagen zullen jullie gedoopt worden in de
Heilige Geest.”
(Hnd.1:4,5; 11:16)
[De leerlingen vroegen: “Zult U in deze tijd het koninkrijk
in Israël herstellen?”]
“Het is niet aan jullie om de tijden en gelegenheden te
kennen. De Vader bepaalt zelf wanneer dingen gebeuren. Maar jullie zullen
kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest op jullie komt; en jullie zullen
Mijn getuige zijn in Jeruzalem, Judea, Samaria en tot in alle uithoeken van de
wereld.”
[Na deze woorden ging Jezus naar de hemel.]
(Mrk.16:19; Hnd.1:6-9)
[Jezus verscheen in visioenen aan Johannes, één van Zijn
leerlingen, die vanwege zijn geloof naar het Griekse eiland Patmos verbannen
was.]
“Ik ben de ‘A’ en de ‘Z’ (Grieks: Alfa en Omega), die was en
is en komen zal, de Almachtige. Schrijf op wat je ziet en zend het aan de zeven
gemeenten: Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatire, Sardis, Filadelfia en Laodicea.”
(Opb.1:8-11)
[Hij zag de verheerlijkte Jezus tussen zeven gouden
kandelaren met zeven sterren in zijn rechterhand en zijn gezicht straalde als
de zon. Johannes viel als dood voor zijn voeten en Jezus legde Zijn hand op hem
en zei:]
“Wees niet bang, Ik ben de Eerste en de Laatste. Ik ben de
Levende; Ik was dood en kijk, Ik leef nu voor altijd en eeuwig! En Ik heb de
sleutels van de dood en het dodenrijk in Mijn bezit. Schrijf dus op wat je hebt
gezien, wat nu is en wat na deze dingen nog zal gebeuren. Het geheim van de
zeven sterren die je zag in Mijn rechterhand en van de zeven gouden kandelaren
is dit: de zeven sterren zijn de boodschappers (engelen) van de zeven gemeenten
en de zeven kandelaren zijn de zeven gemeenten zelf.”
(Opb.1:12-20)
“Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Efeze:
Dit zijn de woorden van Hem die de zeven sterren in zijn
rechterhand houdt en die wandelt tussen de zeven gouden kandelaren: Ik weet wat
jullie allemaal doen, het harde werken en jullie volharding. Ik weet dat jullie
slechte mensen niet kunnen verdragen; dat jullie hen, die beweerden apostelen
te zijn, op hun betrouwbaarheid hebben onderzocht; en ontdekt hebben dat ze
oplichters zijn. Jullie hebben volgehouden en hebben veel moeilijke dingen
doorstaan vanwege Mijn naam en jullie zijn niet bij de pakken neer gaan zitten.
Maar Ik heb dit tegen jullie: jullie hebben je eerste liefde (voor Mij)
verloren. Bedenk eens van welke hoogte jullie teruggevallen zijn. Bekeer je en
doe de dingen die jullie eerst deden. Als jullie niet anders gaan leven, zal Ik
komen en jullie kandelaar van zijn plaats verwijderen. Maar dit is in jullie
voordeel: jullie hebben een hekel aan de praktijken van de Nicolaiten (hoogst
waarschijnlijk een groep gnostici), waar Ik ook een hekel aan heb. Laat hij die
oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt. Aan hem die
overwint, zal Ik het recht geven om te eten van de boom van het Leven, die in
de tuin van God staat.”
(Opb.2:1-7)
“Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Smyrna:
Dit zijn de woorden van Hem die de Eerste en de Laatste is,
die dood was en weer tot leven gekomen is. Ik weet van jullie grote
moeilijkheden en armoede, maar jullie zijn rijk! Ik weet van de laster van hen
die beweren Joden te zijn, maar het niet zijn. Zij zijn van de synagoge van satan
(de aanklager). Wees niet bang voor het lijden dat je binnenkort door gaat
maken. Ik zal je zeggen: de aanklager (satan) zal sommigen van jullie in de
gevangenis zetten om jullie te beproeven, en jullie zullen tien dagen van
vervolging doormaken. Wees trouw, zelfs tot in de dood; en Ik zal jullie de
kroon van het Leven geven. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest
tot de gemeenten zegt. Hij die overwint zal geen schade ondervinden van de
tweede dood.” (De eerste dood is die van het lichaam, de tweede dood is die van
de ziel.)
(Opb.2:8-11)
“Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Pergamus:
Dit zijn de woorden van Hem die het scherpe, tweesnijdende
zwaard heeft. Ik weet waar jullie wonen – waar satan zijn troon heeft. Maar
jullie blijven trouw aan Mij (Mijn naam). Jullie hebben het geloof in Mij niet
afgezworen, zelfs niet in de dagen van Antipas, die ter dood gebracht werd in
jullie stad – waar satan woont. Toch heb Ik een paar dingen tegen jullie: er
zijn mensen onder jullie die de leer van Biliam aanhangen, die Balak vertelde
dat hij de kinderen van Israël moest verleiden met het eten van voedsel dat aan
afgoden geofferd was en door het plegen van seksuele immoraliteit. En er zijn
bij jullie ook mensen die de leer van de Nicolaiten aanhangen. Bekeer je dus!
Anders zal Ik snel komen en tegen ze vechten met het zwaard dat in Mijn mond
is. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt.
Hij die overwint, zal Ik iets van het verborgen manna geven. Ik zal hem ook een
witte steen geven met een nieuwe naam erop die alleen bekend is bij degene die
hem ontvangt.”
(Opb.2:12-17)
“Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Thyatire:
Dit zijn de woorden van de Zoon van God, die ogen heeft als
een fel oplaaiend vuur en die voeten heeft als gepolijst brons. Ik weet wat
jullie allemaal doen, jullie liefde en geloof (vertrouwen), jullie
hulpvaardigheid en volharding; en dat jullie nu meer doen dan eerst. Toch heb
Ik dit tegen jullie: die vrouw Izebel wordt bij jullie toegelaten; zij noemt
zichzelf een profetes. Door haar onderwijs verleidt ze Mijn dienaren tot
immoreel seksueel gedrag en het eten van voedsel dat aan afgoden geofferd is.
Ik heb haar de tijd gegeven om zich te bekeren van haar immoraliteit, maar ze
wil niet. Dus zal Ik haar op een ‘lijdensbed’ gooien en Ik zal hen die overspel
met haar plegen intens laten lijden, tenzij ze zich bekeren van haar wegen. Ik
zal haar kinderen doodslaan. Dan zullen alle gemeenten weten dat Ik Degene ben
die de harten en gedachten onderzoekt; en Ik zal elk van jullie belonen voor
wat je gedaan hebt. Nu zeg Ik tegen de rest van jullie in Thyatire, aan jullie
die niet vasthouden aan haar onderwijs en niet de zogenaamde ‘diepe geheimen
van satan’ hebben leren kennen. Ik zal jullie geen andere last opleggen dan
deze: houd enkel vast aan wat je hebt, totdat Ik kom. Aan hem die overwint en
Mijn wil doet, tot het einde, zal Ik autoriteit geven over de volken – ‘Hij zal
over ze heersen met een ijzeren scepter; hij zal ze in stukken slaan als
aardewerk.’ (Psalm 2:9) – net zoals Ik autoriteit gekregen heb van Mijn Vader.
Ik zal hem ook de morgenster geven. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat
de Geest tot de gemeenten zegt.”
(Opb.2:18-29)
“Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Sardis:
Dit zijn de woorden van Hem die de zeven geesten (of
zevenvoudige Geest) van God en de zeven sterren vasthoudt. Ik weet wat jullie
allemaal doen; jullie hebben de reputatie dat je leeft, maar jullie zijn dood.
Word wakker! Versterk wat nog over is en op het punt staat te sterven, want Ik
heb ontdekt dat jullie daden niet volmaakt/compleet zijn in de ogen van Mijn
God. Herinner je daarom het onderwijs dat jullie ontvangen en gehoord hebben;
wees er gehoorzaam aan en bekeer je. Maar als jullie niet wakker worden, zal Ik
komen als een dief en je zult niet weten wanneer Ik bij jullie kom. Maar er
zijn een paar mensen in Sardis die hun kleren niet bevuild hebben. Zij zullen
met Mij wandelen, gekleed in het wit, want zij zijn het waard. Hij die overwint
zal, net als zij, in het wit gekleed worden. Ik zal zijn naam nooit uit het
boek van het leven wissen, maar Ik zal zijn naam voor Mijn Vader en Zijn
engelen erkennen. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de Geest tot de
gemeenten zegt.”
(Opb.3:1-6)
“Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Filadelfia:
Dit zijn de woorden van Hem die Heilig en waarachtig is, Die
de sleutel van David heeft. Wat Hij opent kan niemand meer sluiten en wat Hij
sluit kan niemand meer openen. Ik weet wat jullie allemaal doen. Ik heb voor
jullie een open deur geplaatst, die niemand kan sluiten. Ik weet dat jullie
weinig kracht hebben, maar jullie hebben je aan Mijn woord gehouden en hebben
Mijn naam niet verloochend. Ik zal hen die van de synagoge van satan zijn, die
beweren Joden te zijn en het niet zijn, maar leugenaars zijn. Ik zal ze laten
komen en op hun gezicht laten vallen voor jullie voeten, en hen laten erkennen
dat Ik van jullie gehouden heb. Omdat jullie je aan Mijn opdracht om geduldig
te volharden gehouden hebben, zal Ik jullie bewaren voor het uur van beproeving
dat over de hele wereld zal komen, om hen die op aarde leven te beproeven. Ik
kom spoedig, Houdt vast aan wat je hebt, zodat niemand je kroon af zal nemen.
Hij die overwint zal Ik een zuil maken in de tempel van Mijn God. Hij zal daar
nooit meer weg gaan. Ik zal de naam van Mijn God op hem schrijven en de naam
van de stad van Mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel neerdaalt van
Mijn God; en Ik zal ook Mijn nieuwe naam op hem schrijven. Laat hij die oren
heeft, luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt.”
(Opb.3:7-13)
“Schrijf aan de boodschapper van de gemeente in Laodicea:
Dit zijn de woorden van de Waarachtige, de betrouwbare
getuige, de heerser van Gods schepping. Ik weet wat jullie allemaal doen en dat
jullie heet noch koud zijn. Ik zou willen dat jullie heet of koud waren! Maar
omdat jullie lauw zijn – niet heet en niet koud – sta Ik op het punt om jullie
uit te braken. Jullie zeggen: ‘Ik ben rijk. Ik heb rijkdom en ik heb verder
niets nodig.’ Maar jullie beseffen niet dat jullie ellendig, zielig, arm, blind
en naakt zijn. Ik geef jullie de goede raad om (geestelijk) goud van Mij te
kopen, gelouterd in het vuur, zodat jullie rijk kunnen worden. En witte kleren
om te dragen, zodat jullie je schandelijke naaktheid kunnen bedekken; en zalf
om op je ogen te doen, zodat je kunt zien. Hen die Ik liefheb, bestraf Ik en
disciplineer Ik. Dus wees eerlijk en bekeer je. Hier ben Ik! Ik sta aan de deur
en Ik klop. Als iemand Mijn stem hoort en de deur open doet, zal Ik binnen
komen en met hem eten en hij met Mij. Aan hem die overwint, zal Ik het recht
geven om bij Mij te zitten op Mijn troon, net zoals Ik overwon en bij Mijn
Vader op Zijn troon ging zitten. Laat hij die oren heeft, luisteren naar wat de
Geest tot de gemeenten zegt.”
(Opb.3:14-22)
“Let op, Ik kom spoedig! Ik neem beloningen mee die Ik aan
iedereen zal geven, in overeenstemming met wat hij gedaan heeft. Ik ben de ‘A’
en de ‘Z’, de Eerste en de Laatste, het Begin en het Einde. Ik ben de Wortel en
de Nakomeling van David en de heldere Morgenster. Ja, Ik kom spoedig.”
(Opb.22:12,13,16,20)
Wat nu volgt is hoe Jezus het gezegd zou kunnen hebben. Hij
moet wel de hele tijd over Zichzelf gepraat hebben in de derde persoon, want de
twee herkenden Hem pas toen ze thuis waren en gingen eten. Ook moet Hij grote
gedeelten van de boeken uit Zijn hoofd gekend hebben. Dat was overigens niet
ongebruikelijk voor Joodse leraren. Maar het is nog minder verbazend als je
beseft dat Hij helemaal vol was van de Heilige Geest, Die de boeken nota bene
zelf heeft laten schijven.
Luister, ik zal jullie vertellen wat jullie eigenlijk al
hadden moeten weten: Er is in de boeken zoveel over de Gezalfde geprofeteerd;
er zijn daarin zoveel details aanwezig die bijna niet mis te verstaan zijn.
Jullie zijn zo goed bekend met de geschriften. Als satan jullie gedachten niet
verduisterd had, zou je allang geweten hebben dat de profetieën vervuld zijn
door deze Jezus van Nazareth. Heeft Hij zijn autoriteit niet bewezen door
wonderen en tekenen te doen die alleen God kan doen?
Jullie hebben gehoord dat God vijandschap zou zetten tussen
de slang en de vrouw, tussen ‘zijn zaad’, en ‘haar zaad’. Dat haar zaad zijn
kop zou vermorzelen en dat de slang de hiel van ‘haar zaad’ zou vermorzelen.
Dat zei God tegen de slang, nadat hij Eva verleid had om te eten van de vrucht
van de boom van kennis van goed en kwaad.
(Gen.3:1-15; Hebr.2:14)
De term ‘haar zaad’ is bijzonder omdat het woord zaad
is geschreven in enkelvoud. Daaraan kun je zien dat het gaat over één
specifieke nakomeling van de vrouw. Jullie weten dat de Gezalfde moest
afstammen van koning David, die uiteindelijk weer afstamt van Adam en Eva.
(Lukas 3:23-38; Over ‘zaad’ enkelvoud: Galaten 3:16)
(Deze profetie neemt een verrassende wending wanneer
God een vloek uitspreekt over het koninklijke geslacht van Jechonia; de
mannelijke geslachtslijn van David waaruit de Gezalfde, het zaad, zou moeten
komen. Jeremia 22:30: …want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, en
zitten op de troon van David. God had David echter beloofd dat er tot in
eeuwigheid iemand op zijn troon zou zitten - zie 2 Samuel 7. De oplossing geeft
God in Jesaja 7:14: …een maagd zal een zoon baren. Het geslachtsregister
van Mattheus geeft een “politiek correcte” geslachtslijn, gaat netjes via
Jechonia en komt bij Jozef, de “vader” van Jezus uit. Lukas volgt niet de lijn
van Salomo, maar gaat via een andere zoon van David, namelijk Nathan, en komt
via een genetisch correcte geslachtslijn bij Maria terecht, uit wie dus toch
nog het zaad geboren wordt. De naam Maria wordt niet genoemd in
het geslachtsregister van Lukas, maar wel de naam van haar vader, Heli. Jozef
wordt de zoon van Heli genoemd, maar in werkelijkheid was Jozef zijn
schoonzoon. Het gebeurde wel vaker dat vrouwen uit geslachtsregisters
weggelaten werden.)
Daarmee had Hij het recht om satan, die valse slang,
de kop te vermorzelen. Hij is die ‘nakomeling’. Ja, satan heeft dan wel de hiel
van de Gezalfde vermorzeld, maar Hij heeft die slang verslagen.
En hebben jullie wel eens goed geluisterd toen het
geslachtsregister van Noach werd voorgelezen? Je zou het soms haast vergeten,
maar onze namen en de namen van onze voorouders hebben betekenissen. Je kunt
natuurlijk de hele tekst lezen, maar als je alleen de namen achter elkaar zet,
dan krijg je een zin: Adam, Seth, Enos, Kenan, Mahalal-el, Jered, Henoch,
Methushalach, Lamech en Noach.
(Genesis 5:1-29)
(Voor hen die niet zo bekend zijn met het oude Hebreews: De
betekenissen van deze namen zijn niet allemaal in naamwoordenboeken te vinden,
maar in dat geval kan van de Hebreeuwse stam kan de betekenis afgeleid worden:
Adam= mens
Seth= aangewezen
Enos= sterfelijk
Kenan= verblijven/nestelen of lijden, vertaling niet
geheel zeker
Mahalal-el= gezegende God
Jared= (zal) neerdalen
Henoch= onderwijzen, inwijden, opleiden
Methushalach= zijn dood zal het zenden/ brengen
- hij stierf in het jaar van de zondvloed. Het zou kunnen zijn dat zijn naam
een profetie was; zijn dood bracht de zondvloed
Lamech= wanhopige/ treurende
Noach= rust of troost
De zin zou dan ongeveer als volgt klinken: De mens is
aangewezen op sterfelijk lijden – of in het sterfelijke te verblijven –
de gezegende God zal neerdalen om te onderwijzen dat Zijn dood de wanhopige
rust zal zenden of brengen.)
Het is misschien geen rechtstreekse “profetie”, uitgesproken
door een profeet, maar je kunt zien dat de Heilige Geest de schrijvers van de
boeken zo heeft geleid dat de goede boodschap zelfs in een geslachtsregister
terug te vinden is. De religieuze leiders van deze tijd hadden kunnen weten dat
God zou komen om voor ze te sterven, maar ze hebben het niet begrepen. En zelfs
nu het gebeurd is, zullen velen het nog niet willen accepteren.
En wat dachten jullie van het verhaal van Abraham die Izaäk
moest offeren. God wilde natuurlijk niet dat Izaäk écht geofferd werd, maar Hij
wilde hem tot een voorbeeld maken. Jullie kennen het verhaal natuurlijk wel,
maar denk eens aan de volgende details: God zei “Neem uw enige zoon, die u
liefhebt”. Klinkt jullie dat bekend in de oren? Hij moest op weg naar het land
Moria en zijn zoon offeren op een van de bergen die God hem wijzen zou. Moria
is de oude naam voor deze omgeving, dat weten jullie, en één van de bergen is
Golgota. Dan staat er dat ze drie dagen onderweg waren en al die tijd
was Abraham vast besloten om God te gehoorzamen en zijn zoon te doden. Izaäk
was voor hem zo goed als dood. Heb je ook gelezen dat Abraham het hout voor
het brandoffer op zijn zoon legde? En weet je nog hoe Jezus gedwongen
werd om zijn eigen offerhout naar Golgota te dragen? Toen Izaäk vroeg waar het
offer was, zei Abraham dat God zelf voor een lam zou zorgen. Er staat
vervolgens dat Abraham Izaäk boven op het hout legde.
Abraham stond op het punt om zijn zoon te doden, toen de
Engel van God hem tegenhield. En toen Abraham omkeek zag hij een ram dat met
zijn horens in de struiken verward zat. Hij nam dit ram en offerde het als een
vervangend offer. De Gezalfde is ook een vervangend offer voor alle kinderen
van Abraham. Hij noemde die plaats toen “Op de berg van Jahweh zal het
voorzien worden!” Ik kan jullie verzekeren dat deze profetie voor jullie
ogen is uitgekomen. En het vervangende offer was niet alleen voor de kinderen
van Abraham maar er staat ook “in uw zaad zullen alle volken van de aarde
gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.” Dus het is
voor iedereen, alle volken, iedereen die wil luisteren naar de stem van God.
(Gen. 22:1-18; Joh.1:29; Hebr.11:17-19)
Jahweh is ook verschenen aan Izaäk om hem een belofte te
doen: “Ik zal met u zijn, en zal u zegenen. Want aan u en uw zaad zal Ik
al deze landen geven, en Ik zal de eed bevestigen, die Ik Abraham uw vader
gezworen heb. En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren
van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad
zullen alle volken van de aarde gezegend worden.” Dezelfde belofte die
aan Abraham gegeven werd, gaf God dus ook aan zijn zoon Izaäk.
(Gen.26:2)
Izaäks zoon Jakob was in de woestijn, op de vlucht voor zijn
broer Ezau, toen hij een droom kreeg. Hij zag in die droom een ladder, die op
de aarde stond, waarvan de top tot aan de hemel reikte. Hij zag de engelen van
God daarlangs op en neer klimmen. En hij zag God bovenaan staan Die zei: “Ik
ben Jahweh, de God van uw grootvader Abraham, en de God van Izaäk. Dit land,
waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. En uw
zaad zal zijn als het stof van de aarde. En in uw zaad zullen alle
geslachten van de aardbodem gezegend worden.” Dezelfde belofte werd dus aan
Abraham, Izaäk en Jakob gegeven. Daarom noemen we Hem ook “God van Abraham,
Izaäk en Jakob”.
(Gen.28:10-15)
Het verhaal van Abraham en Izaäk is een van de mooiste
voorbeelden van mensen die als het ware een profetie uitbeeldden door iets wat
ze, al dan niet vrijwillig, deden of moesten doen. Maar denk ook eens aan het
verhaal van Jozef, die werd vernederd door zijn broeders en door God verhoogd,
zodat hij een zegen kon zijn voor zijn volk. Mozes die opgevolgd werd door
Jozua bijvoorbeeld. (In het Hebreeuws is Jozua Jehoshua - Jahweh redt - Dat is
de Hebreeuwse vorm van de Griekse naam die wij gebruiken voor Jezus.) Mozes kan
dan gezien worden als een beeld van de Wet en Jozua is een beeld van het nieuwe
verbond in het Koninkrijk van God. In het leven van Jozua zijn ook veel
overeenkomsten met het leven van de Gezalfde te zien. Voornamelijk dat hij Gods
volk het beloofde land binnenleidde.
(Ex.24:13, 33:11; Num.27:18; Deu.1:38; 31:7; 34:9; Jozua)
En weten jullie nog wat Jezus zei over “het teken van
Jona”? Die zat drie dagen in de buik van de vis en daarna kon hij de
boodschap van Gods genade en vergeving aan een opstandig volk gaan brengen.
(Jona, Mat.12:39, 16:4 en Luk.11:29)
En dan dat overbekende gedeelte waar God instructies geeft
voor de uittocht uit Egypte. De instructies voor het Pascha (het paasfeest) dat
we ieder jaar vieren. Ze moesten een volmaakt lam nemen, van het
mannelijke geslacht. We kunnen het er samen wel over eens zijn dat Jezus een
man was. En dat Hij op geen enkele zonde kon worden gewezen is ook bekend. Dan
was Hij dus een volmaakt offer. En zij moesten het vlees eten. Daar had
Jezus toch ook iets over gezegd, tijdens het laatste avondmaal? En ze moesten
bij het vlees broden zonder gist eten. (Jezus zei over het brood: “Dit
is Mijn lichaam”.) Dat heeft weer te maken met de afwezigheid van zonden. Gist
is een beeld van zonde. Jezus noemde zichzelf ook “het Brood dat uit de hemel
is neergedaald.” De bittere kruidensaus die ze erbij moesten eten slaat
op het bittere lijden dat de Gezalfde moest doormaken. En het bloed zou
een teken zijn aan de huizen, waarin zij woonden. Wanneer God het bloed zou
zien, zou Hij “aan hen voorbijgaan, en er zou geen dodelijke plaag onder hen
zijn,” wanneer Hij Egypte zou treffen met de dood van alle eerstgeborenen.
De instelling van dit feest was bedoeld voor de eeuwigheid. Daaraan kun
je zien dat God er een heel speciale bedoeling mee had. Het heeft zelfs waarde
in de eeuwigheid. Het vlees mocht niet buiten het huis gebracht worden en ze
mochten van het lam geen enkel bot breken. Is het jullie ook
opgevallen dat de benen van de twee andere mensen die met Jezus gekruisigd
waren gebroken werden, maar die van Jezus niet? In de psalmen staat daar ook
iets over: “Hij beschermt al zijn botten; niet een daarvan wordt gebroken.”
Het is de gewoonte van de Romeinen om de benen van gekruisigden te breken als
ze voor de sabbat nog niet dood zijn. Dat doen ze voor de Joden zodat ze op de
rustdag geen begrafenis hebben. Als de benen gebroken zijn, kunnen ze zich niet
meer opheffen. Dan sterven ze door verstikking, en dat mocht bij Jezus niet
gebeuren. Een lam moet sterven door het verlies van bloed. Want zonder bloedvergieten
is er geen vergeving mogelijk. In Leviticus staat dat de ziel van het vlees in
het bloed is; “daarom heb ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen
verzoening te doen. Want het is het bloed dat voor de ziel verzoening
zal doen.” Bij Jezus hoefden de benen niet meer gebroken te worden want Hij was
al gestorven vanwege bloedverlies. En dat is volgens de wet de juiste wijze
waarop een offerdier moet sterven. Zo werd Hij het volmaakte offerlam en kon
Zijn bloed verzoening doen.
(Ex.12 ; Lev.17:11 ;
Ps.34:20 ; Joh.1:29 ; 19:32-36 ; Hebr.9:22)
Elk detail van de Tabernakel heeft een
symbolische betekenis. De kleuren van de doeken, de materialen die gebruikt
zijn, de omheining, de voorhof, het heilige en het allerheiligste. De
voorwerpen die gebruikt werden, de rituelen, de aantallen en hoeveelheden, de
samenstellingen van de grondstoffen en de tijden waarop de rituelen moesten
worden uitgevoerd. Alles heeft een betekenis en heeft een directe toepassing op
de Gezalfde en Zijn volgelingen.
(Ex.25:9; Hebr.8:5; 9:9; A.B. Simpson – Christus en de
tabernakel)
Het is niet vreemd dat alles zo precies moest worden
gemaakt, want het moest een huis voor God worden. God wilde temidden van Zijn
volk wonen en Zijn huis moest perfect zijn! In wezen is er niets veranderd. God
wil nog steeds bij jullie wonen, maar nu heeft Hij iets gedaan waardoor je niet
meer naar een tent of een tempel hoeft. Er hoeven ook geen beesten meer
geslacht te worden. God heeft de weg vrijgemaakt om in jullie binnenste te
komen wonen. Jullie zijn nu die tent en waar je ook samenkomt om Hem te
aanbidden, daar wil Hij wonen.
(Ex. 15:17; 25:8; 29:45; Lev.26:12;
Ps.22:3; Joh.14:23; 2Co.6:16; Ef.2:22; Op.21:3)
Weten jullie nog wat God tegen Mozes zei over de Gezalfde? “Een
Profeet zal Ik voor hun verwekken uit het midden van hun broederen, als u;
en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken
alles, wat Ik Hem gebieden zal. En het zal gebeuren dat ik de man die niet zal
luisteren naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, tot de
verantwoording zal roepen.
(Deu.18:18,19)
Tegen koning David zei God: “Wanneer uw dagen vervuld zullen
zijn, en u gestorven bent, zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat
uit uw lichaam zal voortkomen, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Die zal in
Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot
in eeuwigheid. Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een
zoon zijn; als hij een misstap begaat, zal Ik hem met een mensenroede en
met plagen van mensenkinderen straffen. Maar Mijn eeuwige goedheid zal van
hem niet wijken, zoals Ik die weggenomen heb van Saul, die Ik van voor uw
aangezicht heb weggenomen. Doch uw huis zal standvastig zijn, en uw koninkrijk
tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw troon zal vast zijn tot in
eeuwigheid.” Deze profetie ging over Salomo maar had ook een diepere
betekenis. Het koninkrijk zou blijven tot in eeuwigheid. Hiermee beloofde God
dat het koninkrijk van David eeuwig zou blijven bestaan. Jezus is een
nakomeling van David en heeft dus recht op zijn troon.
(2Sam.7:12-16)
In een psalm schreef koning David: “Mijn God, mijn
God! Waarom hebt U mij verlaten,…” Jullie hebben Jezus toch wel horen
roepen aan het kruis? Dat was in het Aramees, maar het betekende hetzelfde.
Daarmee wilde Hij de aandacht vestigen op deze psalm, omdat juist die ene psalm
zo goed weergeeft wat Hij daar voelde en wat Hij zag gebeuren. Er staat verder:
“…beschimpt door mensen, en veracht door het volk. Allen, die mij zien, bespotten
mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, en zeggen: Hij
vertrouwt toch op Jahweh, laat Hij hem nu helpen, dat Hij hem redde,
als Hij zich in hem verheugt!” … “Ik ben uitgestort als water, en al mijn
botten hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in
het midden van mijn ingewanden. Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en U legt mij in het stof van de dood.
Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij
omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.” Dat schreef
David al zo lang geleden in die psalm en het gebeurde daar, aan dat kruis. “Al
mijn botten zou ik kunnen tellen; zij aanschouwen het, zij zien op mij. Zij
verdelen mijn kleren onder elkaar, en werpen het lot over mijn gewaad…”
Hebben jullie het zien gebeuren? Ik wel, ik was er namelijk ook bij. Toen Jezus
voor koning Herodus stond en bespot werd, deden ze hem een mantel om. Bij de
kruisiging namen de soldaten hem die weer af. Ze wilden het dure kleed allemaal
wel hebben maar ze wilden het niet kapot maken en daarom wierpen zij het lot
erover. “Alle einden van de aarde zullen het gedenken, en zich tot
Jahweh bekeren; en alle geslachten van heidenen zullen voor Uw
aangezicht aanbidden. Want het koninkrijk is van Jahweh, en Hij heerst onder
de heidenen.” Wat zal het mooi zijn als dit offer inderdaad een zegen zal
zijn voor alle volken. Ik zie er zo naar uit. De psalm eindigt met de woorden:
“Het zaad zal Hem dienen; het zal Jahweh aangeschreven worden tot in
verre geslachten. Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen aan
het volk dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.” En vlak voordat
Jezus stierf, riep hij uit: “Het is volbracht” (Uit Johannes 19:30 - van het
Griekse woord tele-o. De laatste woorden van deze psalm, “Omdat Hij het gedaan
heeft,” komen van een Hebreeuws woord - asah - dat ongeveer hetzelfde
betekent.)
(Psalm 22; Mrk.15:34; Luk.23:11,35; Mat.27:35)
Jesaja heeft het volgende gezegd: “…Hij zal de weg
van de zee verheerlijken (eer geven), voorbij de Jordaan, Galilea van de
heidenen. Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien;
degenen, die wonen in het land van de schaduw van de dood, over hen zal een
licht schijnen... Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en
de heerschappij rust op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk,
Raad(gever), Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; Aan de
grootheid van Zijn heerschappij en van de vrede zal geen einde komen op
de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat
te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe.
De ijver van Jahweh van de hemelse legers zal dit doen.” Zoals jullie weten
begon Jezus Zijn bediening in Galilea. En hoewel Hij als kind in de wereld
kwam, werd hij een Zoon. Een eerstgeboren Zoon; met de erfenis van de Vader.
Dat heeft Hij bewezen door de wonderen die Hij deed.
(Jes.9:1-7)
Jesaja zei ook: “Want er zal een Scheut voortkomen uit de afgehouwen
stronk van Isai, en een Tak uit zijn wortels zal vrucht dragen. En op
Hem zal de Geest van Jahweh rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de
Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en van het ontzag voor Jahweh.”
(Die “afgehouwen stronk” zou verband kunnen houden met de vloek op Jechonia.
Jezus wordt ook wel de “Zoon van David” genoemd. Isai was de vader van David.)
En jullie zullen toch ook wel moeten erkennen dat de Geest van Jahweh op Hem
was.
(Jes.11:1,2)
En dan dat gedeelte waar Jesaja spreekt over de
wonderen: “De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de
wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos. Zij zal lustig
bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van
Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de
heerlijkheid van Jahweh, het sieraad van onze God. Versterk de slappe handen,
en strek de knikkende knieën. Zeg tegen de tegen de mensen met een angstig
hart: Weest sterk, en wees niet bang. Zie, jullie God zal komen om zich
te wreken met de vergelding van God. Hij zal komen en jullie
verlossen. Dan zullen de ogen van de blinden geopend worden, en de oren van de
doven zullen geopend worden. Dan zal de kreupele springen als een hert, en
de tong van de stomme zal zingen;” Als je al die profetieën leest, zie je vaak
dingen staan als ‘oordeel’ en ‘vergelding’. Deze dingen zal de Gezalfde
inderdaad doen wanneer Hij terugkomt om te oordelen over de levenden en de
doden.
(Jes.35:1-6)
Jesaja had veel te zeggen over de Gezalfde. Neem
bijvoorbeeld dat overbekende stuk: “Wie heeft onze verkondiging geloofd, en aan
wie is de arm van Jahweh geopenbaard? Want Hij is als een teer plantje voor
Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit dorre aarde; Hij had geen
gedaante noch heerlijkheid; dat wij Hem zouden aanzien, noch gestalte, dat wij
naar Hem zouden verlangen.” Ja, Hij had wel veel volgelingen, maar toch
vonden de meeste mensen Hem vreemd en wisten ze niet goed wat ze met Hem
aanmoesten. Aan het einde had Hij geen vriend meer over; ze hadden Hem allemaal
verlaten. “Hij was veracht, en door mensen verlaten, een Man van smarten, en
bekend met ziekte;” Altijd waren er zieke mensen om Hem heen, ja, als er
wat te halen valt, zijn mensen er als de kippen bij, en terecht, want wie wil
er niet graag genezen worden als hij ziek is… Het is makkelijk om iemand te
idealiseren als Hij allemaal mooie en prettige dingen doet en zegt, maar als
het moeilijk wordt, haken de meeste mensen toch af, “en terwijl wij als het
ware ons aangezicht voor Hem verborgen, werd Hij veracht, en wij hebben Hem
niet geacht. Waarlijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze pijn
heeft Hij gedragen; maar wij dachten dat Hij geplaagd, door God geslagen en
verdrukt was. Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze
ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede brengt, was op
Hem, en door Zijn striemen hebben wij genezing ontvangen.” Dat was denk ik
wel het moeilijkste voor Hem. Op het diepste punt van zijn leven werd Hij door
iedereen verlaten; zelfs door Zijn Vader… Maar het moest gebeuren. Hij wilde
Zichzelf geven. Als een zaad dat in de aarde valt, sterft en veel vrucht
draagt. “Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een ieder naar
zijn (eigen) weg; doch Jahweh heeft al onze ongerechtigheden op Hem doen
komen. Hij werd onderdrukt, Hij kreeg het zwaar te verduren; maar Hij deed Zijn
mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap,
dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open.” Dat
klopt, hij verdedigde zichzelf niet. Hij onderging de beschuldigingen en de
martelingen, zonder Zichzelf te verweren. “Hij is uit de gevangenis
en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken (of: van
zijn nageslacht spreken)? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden;
om de overtreding van Mijn volk is Hij geslagen.” En dat was het. Daar ging
het om! Hij deed het voor Zijn volk, voor de mensen die hij liefheeft. “En
men heeft Hem een graf toegewezen bij de goddelozen, en Hij is bij de rijke
geweest in Zijn dood,” Hij stierf aan het kruis, naast twee goddeloze
misdadigers. En wist je dat Zijn lichaam in een graf op het landgoed van de
rijke Jozef van Arimathea gelegd werd? “ondanks dat Hij nooit iets fout
gedaan heeft en nooit iemand bedrogen heeft. Maar het behaagde Jahweh om Hem te
verbrijzelen; Hij heeft (Hem) ziek gemaakt; (zodat) wanneer Hij Zijn ziel als
een schuldoffer gesteld heeft, Hij zaad zal zien, Hij zal (Zijn) dagen
verlengen; en de wil van Jahweh zal Zijn hand (werk) voorspoedig maken. (De
vrucht van) de arbeid van Zijn ziel zal Hij zien, Hij zal verzadigd worden;
door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden (zonden) dragen. Daarom zal Ik Hem een
deel geven met de groten, en Hij zal met machtigen de buit delen, omdat Hij
Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en met de overtreders gerekend
is, en Hij de zonden van velen gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden
heeft.” Alleen de directe omstanders hebben het gehoord toen Hij bad voor
de overtreders: “Vader, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen”. Ja,
zelfs voor Zijn beulen bad Hij. En God kan hen vergeven, als zij gaan beseffen
wat ze gedaan hebben en Hem om vergeving vragen. Ze wisten niet wie ze daar
kruisigden, anders hadden ze het niet gedaan. Maar het moest zo gebeuren, omdat
God het zo gewild heeft. Dit was de enige manier om de hele wereld redding aan
te bieden, door hun zonden in Zijn lichaam te dragen en ervoor te betalen. Nu
zal Hij inderdaad veel nakomelingen kunnen krijgen. Iedereen die in Hem gelooft
zal vergeving ontvangen en met Hem leven!
(Jes.53:1-12)
Weten jullie dat Jezus in een synagoge eens een stuk uit
Jesaja heeft gelezen en die op Zichzelf toepaste? Hij stopte toen zomaar
halverwege een zin. “De Geest van de Heer - Jahweh is op Mij, omdat Jahweh
Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen; Hij
heeft Mij gezonden om de gebrokenen van hart te verbinden, om voor de
gevangenen vrijheid uit te roepen, en voor de gebondenen opening van de
gevangenis; Om uit te roepen het jaar van het welbehagen van Jahweh,” Daar
stopte Hij, omdat de rest nog niet in vervulling kon gaan: “en de dag van de
wraak van onze God; om alle treurigen te troosten” Dat gedeelte moet nog
komen. Wanneer Hij terugkomt zal Hij afrekenen met zijn vijanden. Maar nu
is het tijd voor genade, om zoveel mogelijk mensen de kans te geven zich tot
Hem te keren.
(Jes.61:1,2; 2Petr.3:3-10)
Hebben jullie ook dat moment meegemaakt dat Jezus op
een ezeltje Jeruzalem binnenreed? Dat was een zeer emotioneel moment voor Hem,
want hoewel de mensen heel enthousiast waren, wist Hij dat ze Hem niet lang
daarna zouden uitschelden, veroordelen en laten kruisigen. Hij heeft toen ook
gezegd dat Hij het ze zeer kwalijk nam dat ze Hem niet erkenden en Hij voorspelde
een straf omdat ze niet zagen dat dit het moment was waarop Hij zou komen. Ze
hadden het kunnen weten, want de komst van de Gezalfde was exact voorspeld door
Daniël. De straf die ze zouden ontvangen was niet gering: dat geen steen op de
andere gelaten zou worden. (Uit Lukas 19 - Dit is letterlijk uitgekomen toen
Jeruzalem met de grond gelijk gemaakt werd in 70 na Chr. en elke steen van de
tempel losgebroken werd om het goud er tussenuit te kunnen halen wat door het
vuur gesmolten was en tussen de stenen terecht gekomen was.) Daniël zei dit: “Zeventig
weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te
sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen,
en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het visioen, en de
profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. Weet
dan, en begrijp: van de uitgang van het woord, om te doen wederkeren, en om
Jeruzalem te bouwen, tot op de Gezalfde, de Vorst, zijn zeven weken, en twee en
zestig weken (totaal 69); de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd
worden, doch in benauwde dagen. En na die twee en zestig weken (dus na de 69e
week) zal de Gezalfde uitgeroeid (afgesneden) worden, maar het zal niet voor
Hem zelf zijn;” Vanaf de opdracht om Jeruzalem te herbouwen (wat te lezen
is in het boek Nehemia), tot de komst van de Gezalfde zou dus 69 jaarweken
duren. Een jaarweek is 7 jaar. Dus 69 jaarweken zijn dan 483 jaren. (In de
Bijbel wordt voor een jaar 360 dagen gerekend; dit blijkt uit andere delen van
Daniël en gedeelten uit Openbaringen, waar dagen, maanden en jaren met elkaar
vergeleken worden.) En 483 jaar komt overeen met 483x360 dagen = 173.880
dagen. Jullie kennen de oude boeken; reken maar uit, je zult zien dat het
allemaal precies uitkomt. Na die 483 jaar werd hij vermoord (afgesneden). De
kans is bijzonder klein dat met deze profetie iemand anders bedoeld zou worden
dan Jezus van Nazareth. Vind maar eens een andere persoon die rond 30 na Chr.
aan deze beschrijving voldeed.) Zien jullie nu dat de schriftgeleerden geen
enkel excuus hadden? Er is maar één mens in deze tijd die aan de beschrijving
van Daniël voldoet. Zij hadden de verantwoordelijkheid om deze profetie aan de
mensen uit te leggen. Maar ze wilden het niet zien. Zij zijn verblind door hun
zelfingenomenheid. En als zij zich niet bekeren, zullen zij hun straf niet
ontlopen.
(Dan.9:24-26; Zach.9:9; Ps.118:26; Luk.19:29-44)
De profeet Micha profeteerde ook over de Gezalfde: “En u, Bethlehem
in Efratha! Hoewel u de minste bent onder de duizenden van Juda; Uit u zal
Hij voor Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens
uitgangen van ouds zijn, van de dagen van de eeuwigheid.” Geboren in
Bethlehem, zoals jullie weten, en komend vanuit de eeuwigheid, zoals Hij ook
zelf verkondigde.
(Micha.5:2; Joh.1; Joh.17:5; Col.1)
Zacharia zei dit: “Verheugt u zeer, u
dochter van Sion! Juich, u dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal tot u
komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland (iemand die herstelt); arm, en rijdend
op een ezel, en op een veulen, een jong van een ezelin.” Hij kwam als een
rechtvaardige en als een geneesheer. Hij was niet rijk en dat van die ezel
weten jullie ook.
(Zach.9:9; Dan.9:24-26)
Zacharia heeft ook het volgende geprofeteerd: “Zo zegt
Jahweh, mijn God:… Indien het goed is in uw ogen, breng mijn loon,
en zo niet, laat het na.” God laat zien wat Hij in hun ogen waard is: “En zij
hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen.” Dat is heel specifiek:
precies dertig zilveren penningen. “Doch Jahweh zei tot mij: Werp ze voor de
pottenbakker: een heerlijke prijs, die ze mij waard achtten!” Een heerlijke
prijs? Dat is de prijs van een slaaf! Maar dat is ook wat Jezus zei: dat Hij
was gekomen om te dienen. “En ik nam die dertig zilverlingen, en wierp ze in
het huis van Jahweh, voor de pottenbakker.” Dat zijn dus vijf heel specifieke
dingen: ‘Dertig’, ‘zilveren munten’, ‘werpen’, ‘in het huis van God’ (de
tempel) en ‘voor de pottenbakker’. Misschien weten jullie niet alle details
van wat er gebeurd is, maar een van de twaalf discipelen, Judas Iskariot, ging
naar de hoofdpriesters en heeft hun verraden waar Jezus was voor een bedrag van
dertig zilveren penningen. Toen kreeg Judas berouw, en wilde de dertig
zilveren penningen aan de hoofdpriesters teruggeven maar ze wilden het niet
meer van hem aannemen. Daarop heeft hij de zilveren penningen in de tempel
gegooid en heeft hij zichzelf opgehangen uit pure wroeging. De
hoofdpriesters konden de penningen niet in de offerkist doen omdat het
bloedgeld was. Daarom kochten zij daarmee de akker van een pottenbakker,
als begraafplaats voor vreemdelingen. (Ze mochten het geld niet in de offerkist
stoppen, maar ze gebruikten het wel om hun onkosten te dekken. Jezus sprak ze
er al op aan, maar hieruit blijkt ook weer hoe corrupt ze eigenlijk waren.)
Zouden Judas en de hoofdpriesters samengezworen hebben om deze profetie uit te
laten komen?
(Zach.11:4,12,13; Mat.26:14,15; 27:3-7)
God sprak tegen Zacharia: “Doch over het huis van
David, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik de Geest van de genade en
gebeden uitstorten. En zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben,
en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enige zoon;
en zij zullen over Hem bitter jammeren, gelijk men bitter jammert over een
eerstgeborene.” Dat zei God zelf!
(Zach.12:10)
Tegen Maleachi zei God: “Zie, Ik zend
Mijn Engel (mijn boodschapper), die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal;
en plotseling zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die jullie zoeken, te weten
de Engel van het verbond, over Wie u zich verheugt; zie, Hij komt, zegt Jahweh
van de hemelse legers.” Ja, Hij is gekomen, de Engel van het verbond. Hij
die het verbond sloot met Abraham, Die verscheen aan Mozes, Jozua, Gideon en
vele anderen. Hij is gekomen en hen die Hem willen aannemen zal Hij nooit meer
verlaten!
(Mal.3:1; Gen.22:15-18; Ex.4:2-e.v.
Rich.2:1; 6 :11-e.v.)